0,8%

De zon scheen, de magnolia’s bloeiden en in de sloot zwom een meerkoet naast een waterhoen. Wat een geluk dat ik die samen zag, want nu kon ik vrolijk melden dat ik een meerkoet en een waterhoen tegenkwam, terwijl ik die twee watervogels nooit uit elkaar kan houden. Toen ik hier een grapje over maakte op Twitter, bleken allerlei mensen hetzelfde probleem te hebben (‘Het zijn net Nick en Simon.’).

Die mensen bleken dan weer allemaal handige ezelsbruggetjes te hebben bedacht hiervoor. Zoals: de meerKOEt is zwart met wit, net als een koe en de waterHOEN heeft het rood van een haan. Iemand anders dacht bij de witte vlek aan kauwgom, dus moest het de meerkoet met de k van kauwgom zijn. Sommige geheugensteuntjes gebruikten een vreemde logica: ’Bij de vogel met het wit op de kop, zit er géén w in de naam.’ Of nog gekker: ‘De vogel met de witte bles heet in het Duits ‘Blässhuhn’ en dat is natuurlijk de meerkoet.’

Ontroerend dat allerlei mensen trucjes verzinnen om de namen van deze vogels te onthouden. Mijn promovendus Michiel Hooykaas doet onderzoek naar soortenkennis en hoe je daarover communiceert. Vorig jaar trok hij langs basisscholen om te kijken of kinderen gangbare Nederlandse dieren herkennen. Daarbij liet hij ruim 600 kinderen een waterhoen zien en slechts een schamele 0,8% wist de juiste naam te noemen. Sommige kinderen gokten op ‘koekoek’, ‘kalkoen’ of ‘waterkoe’. Michiel heeft iets te doen de komende jaren.

Kinderen herkennen exotische dieren als een giraffe makkelijker dan de ekster die op hun eigen schoolplein zit. Sterker nog, ze weten vaak zelfs meer over fantasiedieren. In 2002 lieten onderzoekers aan Britse scholieren plaatjes zien van dieren uit hun eigen omgeving, zoals een haas of een kever, en Pokémon-plaatjes met bijvoorbeeld Pikachu of Bulbasaur. Achtjarigen herkenden bijna 80% van de fictieve Pokémon-dieren en minder dan de helft van de echte dieren. De conclusie was dat natuurbeschermers heel wat kunnen leren van Pokémon.

Want je gaat meer houden van dingen die je kent en waarover je allerlei leuke feitjes weet. Ik denk nog vaak aan een column die Bas Haring pakweg tien jaar geleden schreef over ene Martin wiens prachtige uitzicht verpest werd door een stel elektriciteitsmasten pal voor zijn huis. Eerst baalde Martin daarvan, want hij zag liever bomen dan die stomme metalen masten. Maar toen deed Martin iets geniaals: hij besloot zich te verdiepen in elektriciteitsmasten, op zoek naar een zelfde schoonheid die hij wel herkende in bomen. Hij leerde dat er allemaal vormen en soorten masten bestonden. Zijn ergernis over de masten voor zijn raam verdween, hij zag er nu inderdaad een zekere schoonheid in. Als ik in het buitenland langs een gekke elektriciteitsmast rijd, dan denk ik altijd even aan die Martin en hoe hij daar vast iets leuks over zou weten.

Bas Haring concludeerde dat we iets kunnen leren van Martin: schoonheid ontdekken in allerlei gewone dingen door ons erin te verdiepen. Ik verheug me al op de volgende keer dat ik een meerkoet of een waterhoen zie zwemmen.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant

Inmiddels is de studie van Michiel Hooykaas gepubliceerd en hier te vinden.

Twee klassen getallen

Een lezer vroeg of ik eens een column kon schrijven met mijn mening over Baudet. Nu houd ik zelf juist zo van het wetenschapskatern omdat je daarin eens níet allerlei meningen leest, maar de lezer is natuurlijk altijd de baas. Dus daarom een column over Baudet met aan het eind mijn mening.

Omdat de vraag niet zo specifiek was, gaat deze column over Han Baudet, de overgrootvader van politicus Thierry Baudet. Deze wiskundige leefde van 1891 tot 1921 en de jong gestorven wetenschapper liet het ‘Vermoeden van Baudet’ na.

Dit vermoeden gaat over de natuurlijke getallen (1, 2, 3, 4, enzovoorts) en rekenkundige rijtjes. Dat zijn rijtjes getallen waarin het verschil tussen twee opeenvolgende getallen steeds hetzelfde is. Bijvoorbeeld 2, 4, 6, 8, 10 of 3, 7, 11, 15. Kortom: het soort rijtje dat je op makkelijke IQ-testen moeten aanvullen met het volgende getal.

Het Vermoeden van Baudet luidt als volgt: “Als m een natuurlijk getal is en de verzameling der natuurlijke getallen wordt in twee klassen verdeeld, dan bevat één van die klassen een rekenkundig rijtje van lengte m.” Oké. Wat betekent dat? Als je al die oneindige natuurlijke getallen in twee aparte groepen verdeelt, dan zit er in één van die groepen een rekenkundig rijtje van een willekeurige lengte (dat is die m en je mag daarvoor alles kiezen, je kunt 3 nemen of 1729 of een triljoen).

Om hier een gevoel voor te krijgen is het goed om te kijken naar een iets kleiner voorbeeld (oneindig veel getallen uitschrijven is altijd zo’n gedoe). Probeer maar eens om de getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 in twee groepen te verdelen zodat er in géén van die groepen een rekenkundig rijtje van lengte drie zit.

Dit zal niet lukken. Het bewijs past niet in deze column (de kantlijn is weer eens te klein), maar het is een kwestie van gevallen uitsplitsen. Als je bijvoorbeeld 3 en 5 in de eerste groep stopt, dan moet 1 in de andere groep zitten (want anders krijg je het rijtje 1, 3, 5) en ook 4 en 7 moeten in de tweede groep zitten als je rekenkundige rijtjes in de eerste groep wilt vermijden. Maar dan belanden 1, 4 en 7 in de tweede groep en dat is zelf een rekenkundig rijtje. Zo kun je nog veel meer gevallen uitsluiten, net zolang tot je ziet dat het nóóit lukt en je altijd met een rekenkundig rijtje eindigt.

En als je die oneindig veel natuurlijke getallen in twee groepen verdeelt, zal één van die groepen willekeurig lange rekenkundige rijtjes bevatten. Het Vermoeden van Baudet is in 1927 bewezen en het heet nu in een iets andere vorm de Stelling van Van der Waerden (u mag raden wie het bewezen heeft). In een artikel uit 2007 beschrijft K.P. Hart hoeveel invloed deze stelling heeft gehad, nog steeds blijft hij opduiken in allerlei andere bewijzen.

En dan ten slotte, zoals beloofd, mijn mening: ik ben er niet voor om de natuurlijke getallen in twee klassen te verdelen.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant

18 dingen waarvan ik vrolijk werd in 2018

1. Hoe toen de treinen waren gestrand allerlei mensen elkaar thuisbrachten met #stormpoolen. Zo belandde ik op weg van Utrecht naar Leiden in een auto met twee onbekenden die allerlei vrienden van mij bleken te kennen via, jawel, sterrenkunde-zomerkampen.
2. Collega’s die meedachten over mijn onderzoek, constructief commentaar gaven op mijn artikel en daarna zeiden dat dit normaal was en dat hun naam heus niet bij de auteurs hoefde.
3. The Good Place op Netflix. Het was even inkomen, maar daarna werd het hardop lachen.
4. Dat ik bij bij een lezing over wetenschapscommunicatie aangevallen werd door een stuurse wiskundestudent die mopperde dat het tijdverspilling is om wiskundige ideeën te delen met het algemeen publiek. En dat toen topwiskundige Ingrid Daubechies in de zaal bleek te zitten en opstond om hem de les te lezen en uit te leggen hoe belangrijk wetenschapscommunicatie is.
5. Die middag dat er op het verder lege terras van Five Guys precies vijf mannen aan een tafeltje zaten.
6. Hoe ik dankzij DJ St Paul een uurtje mijn lievelingsmuziek mocht draaien op Best Kept Secret en dat toen iedereen los ging op Campus van Vampire Weekend.
7. Dat de Technische Universiteit Delft me uitriep tot alumnus van het jaar 2018, terwijl ik toch niet het prototype ingenieur ben. En hoe mijn vader, die óók ingenieur is, stralend van trots vooraan zat bij de prijsuitreiking.
8. Less van Andrew Sean Greer, ongetwijfeld de vrolijkste Pulitzerprijswinnende roman in jaren.
9. De drie tellen waarin ik eindelijk rechtop stond op mijn surfbord nadat ik voor het tweede jaar lessen golfsurfen volgde.
10. Dat ik totaal onverwacht in de Donald Duck stond – als Pionica Smeets met een kekke toga en een mopsneus. Deze voorzitster van de Duckstadse Algebra-Ver1niging organiseerde een wiskundewedstrijd waar half Duckstad aan meedeed. Guus Geluk won vanzelfsprekend.
11. Hoe mijn zoon vervolgens totáál niet onder de indruk was toen hij die week zijn Donald Duck las: ‘Jaja, het drie-deuren-probleem, daar heb je het zo vaak over, mama. Oh kijk, een leuk verhaal over Willy Wortel.’
12. Dat er zoals elk collegejaar weer een nieuwe lading studenten de collegezalen binnenstormde met verse idealen en plannen om de wereld te veroveren.
13. Dat mijn verjaardag een palindroom-datum was.
14. Half oktober in een zomerjurkje in de tuin zitten en daarbij De laatste dans (Dansen op een vulkaan) neuriën.
15. De optimistische zienswijze van mijn collega Noelle Aarts, hoogleraar Socio-Ecologische Interacties. Tijdens een gastcollege legde ze uit dat mensen heel slecht zijn in het voeren van een dialoog met mensen die anders denken dan zijzelf. Waarop Aarts concludeerde dat dit héél goed nieuws was, want daardoor viel er nog veel te verbeteren.
16. King Lear van Toneelgroep Maastricht – zo geestig, zo mooi.
17. Dat er in mijn vriendenkring minder begrafenissen waren dan in 2017.
18. Het idee dat er een rangorde te maken is van al die grote en kleine vrolijke momenten en dat je daarmee kunt aanwijzen wat het vrolijkste van 2018 was.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Tweehonder dollar

In het ruim honderd jaar oude verhaal Het apenpootje van W.W. Jacobs mag de eigenaar van een gemummificeerd apenpootje drie wensen doen. Een man vraagt tweehonderd dollar om zijn hypotheek af te lossen. Dat bedrag krijgt hij, maar wel als smartengeld voor zijn geliefde zoon die op gruwelijke wijze verongelukt. De andere twee wensen gaan niet veel beter, want het apenpootje blijkt vervloekt – mensen moeten zich namelijk niet bemoeien met hun lot.

Ik ontdekte Het apenpootje via een blogpost over kunstmatige intelligentiesystemen die niet doen wat de bedoeling is. Vorige week schreef Laurens Verhagen in Sir Edmund een lang stuk over hoe computersystemen onbedoeld allerlei vooroordelen overnemen uit de trainingsgegevens die mensen erin stoppen. Kunstmatige intelligentie-onderzoeker Victoria Krakovna verzamelt op haar blog voorbeelden van een andere categorie ongewild gedrag: systemen die een oplossing vinden die letterlijk genomen keurig aan de opdracht voldoet, maar totaal niet is wat de menselijke ontwerper bedoelde.

Neem bijvoorbeeld de robotarm die moest leren om een pannenkoek vanuit een pan op een bord te werpen. Als eerste stap programmeerde de maker de arm zo, dat een sessie eindigde als de pannenkoek op de grond viel en de robot punten verdiende voor de tijd dat de sessie duurde. Het doel was om zoveel mogelijk punten te halen. Het idee was dat de robot de pannenkoek daardoor lang in de pan zou houden. Helaas: het resultaat was dat de robotarm de pannenkoek zo ver mogelijk weggooide, om de tijd in de lucht te maximaliseren.

De lijst van Krakovna staat vol met dit soort heerlijke voorbeelden. Een robotarm die een blokje op een gemarkeerde plek op een tafel moest zetten, bereikte dit door de complete tafel te verplaatsen. Een programma dat zijn eigen antwoord moest vergelijken met het juiste antwoord in een tekstbestand, verwijderde vrolijk dat antwoordbestand. Daarna hoefde het verder niets te doen, want het juiste antwoord was nu immers ‘niets’. Kunstmatige intelligentie die moest leren hoe ze een strategisch computerspel kon winnen, ontdekte dat het soms meer punten opleverde om het spel te laten crashen. Dus verzon ze allerlei trucs om het spel te laten vastlopen.

Ik herken mezelf heel erg in deze computersystemen. Bij spelletjes zoek ik ook graag naar manieren om te winnen die technisch gezien mogen volgens de regels, maar duidelijk niet de bedoeling zijn. Ik ben ook wel eens gebeld door de producent van een televisiequiz die overwoog een spelregel te veranderen. Voor de zekerheid wilde hij even vragen wat ik dan zou doen als kandidaat. Na even denken kwam ik met een bloedirritante strategie, waarop de producent in kwestie besloot om de regel dan maar te houden zoals hij was.

Onhandig gemaakte regels zijn het probleem bij al die voorbeelden van ‘verkeerd’ gedrag van computersystemen. De echte fout zit natuurlijk bij de mensen die de doelen en beloningen onhandig formuleren. Een computersysteem gaat niet, zoals een Ionica zou doen, bewust de regels verkeerd interpreteren om te winnen. Dus hoe moet je dit gedrag dan noemen? In de reacties onder de blog kwam ene Alex Foster met de schitterende suggestie: apenpootjes. Naar dat verhaal van meer dan honderd jaar geleden. Als je wensen totaal verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden, dan is het de vraag of het verstandig is om een wens te doen.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

38,2

Daar zaten we dan met onze jury bij De Wereld Draait Door om het Getal van het Jaar bekend te maken. Op 11 december. En dat terwijl jurylid Casper Albers eens een vernietigende analyse maakte van eindejaarslijsten die verschijnen vóórdat het jaar is afgelopen. Op 11 december waren we op 95% van het jaar, dus er was een kans van 5% dat hét getal van 2018 nog moest komen.

Maar ja, hier gold een speciale versie van de wet van de grote aantallen: voor meer dan een miljoen kijkers besloot de jury de gok te wagen en de winnaar toch maar vast bekend maken. Allerlei mensen hadden ons een pleidooi voor hun favoriete getal gestuurd en uit de meer dan duizend nominaties kozen wij de drie getallen die 2018 het meest typeerden. Brons ging naar de 1.900.000.000 euro die de afschaffing van de dividendbelasting zou kosten en stond voor de eindeloze politieke discussies daarover. Zilver was voor Maarten van der Weijden en de heroïsche 163 kilometer die hij zwom tijdens zijn elfstedenzwemtocht om geld in te zamelen voor kankeronderzoek. Het goud ging naar 38,2 graden – de hoogst gemeten temperatuur deze zomer in het Limburgse Arcen. Veel inzenders koppelden die eindeloze, warme zomer van 2018 aan klimaatverandering en het stijgende gevoel dat we iets moeten doen voor het te laat is.

Anderen drukten dat gevoel uit in het recordaantal van 55 officiële zomerse dagen, of de hoogste gemiddelde zomertemperatuur sinds 1706, of de 335 zonuren waarmee juli de zonnigste maand ooit gemeten was. Uiteindelijk won 38,2 graden omdat je je nu eenmaal makkelijker iets kunt voorstellen bij zo’n snikhete dag waarop zelfs de wind je niet verkoelt dan bij andere meer abstracte getallen. Iemand stelde al voor om die iconische 38,2 groot op een muur in Arcen te schilderen.

Prachtig, maar de jury bleef voor de zekerheid de getallen toch nauwlettend in de gaten houden na de bekendmaking. Stel dat er een nog betere zou komen. Op 16 december las ik bijvoorbeeld dat een slimme zakenman 18.152.868 euro kreeg van ProRail voor stukjes grond langs het spoor – terwijl hij in 2010 nog tien miljoen euro tóe kreeg van de NS om die stukjes grond over te nemen. Heerlijk en typisch Nederlands, maar gelukkig geen top-drie-materiaal.

Britse statistici maakten in de tussentijd bekend dat wat hen betreft 90.5% de internationale statistiek van het jaar is: het percentage van plastic afval dat nooit is gerecycled. Scientific American publiceerde een nummer met de grootste verhalen over wetenschap van 2018. Alleen bleek dat tijdschrift helaas gedrukt net vóórdat het nieuws over de Chinese genetische gemodificeerde baby’s bekend werd en zo misten ze één van de wetenschappelijke verhalen waarvoor 2018 herinnerd zal worden.

Inmiddels durf ik bijna rustig adem te halen. Deze column verschijnt op 29 december – nog maar twee dagen te gaan. Ik denk dat we inmiddels redelijk veilig zitten met onze top 3. Mark Rutte gaat vast geen plan meer verzinnen dat meer dan 1.900.000.000 euro kost, niemand zwemt nog snel meer dan 163 kilometer in Friesland en warmer dan 38,2 graden gaat het óók niet meer worden. Nee, zolang er geen grote ramp plaatsvindt de komende dagen, zitten we goed met deze getallen. Dus laten we dus hopen dat het bij deze top drie blijft voor 2018.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Lees hier de eerdere column over dit onderwerp.

2018

Het eind van het jaar nadert en het grote terugkijken is begonnen. Allerlei instanties kiezen hun woord van het jaar, sporter van het jaar, of boom van het jaar. Eigenlijk kun je het zo gek niet verzinnen, of er is een van-het-jaar-verkiezing voor. Behalve voor getallen. En dan terwijl getallen toch een niet te onderschatten rol spelen in ons leven. Van persoonlijke sportrecords tot grote politieke getallen. En dat soort getallen zijn een prima manier om een jaar te beschrijven.

Daarom organiseerde ik in december 2017 een geïmproviseerde getal-van-het-jaar-verkiezing. Samen met statisticus Casper Albers en en getallengek Casper Hulshof vormde ik de jury en na een lang en verhit debat kozen we 225 als hét getal van 2017. Zoveel dagen duurde namelijk de moeizame formatie vorig jaar, een record, en 225 beschrijft al die maanden dat we ons afvroegen of er ooit nog een regering zou komen.

In 2018 begonnen we eerder met de voorbereidingen van onze verkiezing en we breiden de jury uit met cabaretier Jan Beuving en studente Stefanie Brackenhoff. Stefanie bouwde de website getalvanhetjaar.nl waarop iedereen zijn getal van her jaar kan inzenden.

De Wereld Draait Door lanceerde de verkiezing anderhalve week geleden met een tafel vol bekende Nederlanders die hun getal van het jaar nomineerden. Britt Dekker die prime-time op nationale televisie over percentages praatte is één van mijn persoonlijke hoogtepunten van 2018. Zij nomineerde overigens 46%, omdat dit jaar 46% van de Nederlanders bewust probeerde om minder vlees te eten.

Inmiddels zijn er al honderden getallen ingezonden en die geven een prachtig beeld van 2018. De 16 minuten die het kost om met de eindelijk geopende Amsterdamse Noord/Zuidlijn van noord naar zuid te reizen. Het nummer 33 van Max Verstappen. De 354 vmbo-leerlingen in Maastricht waarvan de examens ongeldig werden verklaard en die maanden in spanning zaten.

Er waren ook lollige inzendingen: iemand stuurde zijn pincode en een ander zijn telefoonnummer met het verzoek om hem te bellen. Ook leerde ik dat er een meme bestaat om op Twitter te reageren tweets waarin 69 staat met het woord ‘Nice’, dankzij allerlei mensen die 69 met als verklaring ‘Nice’ instuurden.

Verder ontdekte ik dat 269 symbool staat voor de veganistische beweging – al is het voor deze verkiezing wel jammer dat dit getal komt van kalf 269 dat in 2013 bevrijd werd door activisten. Verschillende mensen nomineerden een jaartal, zoals het voor de hand liggende 2018, maar ook 2019 werd genoemd omdat je naar de toekomst moet kijken. Eén iemand suggereerde dat het Orwelliaanse 1984 het afgelopen jaar het beste samenvat met de beïnvloeding bij verkiezingen en de nieuwe privacywet.

Mooi zijn ook de persoonlijke getallen, zoals de acht van een stel dat hun dochter de eerste keer zag als een 8-cellige embryo, het meisje werd vervolgens op 8-8-18 geboren. Of de oma die overleed op 88-jarige leeftijd waarna haar kleinkind overal 88 terugziet in rekeningen en bingonummers.

Kortom: er zijn zoveel getallen die bij 2018 horen. Wat is voor u het getal van het jaar? Laat het ons voor 9 december weten via getalvanhetjaar.nl en wie weet kroont de jury uw getal tot hét getal van 2018.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Lees hier de uitslag van de wedstrijd.

1628

Georgina Verbaan kwam vorige week dit mysterieuze gedicht tegen in een bundel:

Verbaan snapte er naar eigen zeggen ‘natuurlijk’ niets van en vroeg me via Twitter of dit wat was.

Zelf kon ik er ook geen touw aan vastknopen, maar al snel dachten er op Twitter allerlei mensen mee. Edwin Martin merkt op dat Christiaan Huygens pas in 1629 is geboren – terwijl het gedicht uit 1628 lijkt te komen. Al snel volgen verschillende reacties dat het zijn vader moet zijn: de dichter Constantijn Huygens. Wetenschapshistoricus Arjen Dijkstra voegt hieraan toe dat deze Huygens op 4 september jarig was. Zou dat de clou zijn van het gedicht? Maar dan melden diverse mensen dat dit gedicht geschreven is door P. G. Witsen Geysbeek, het staat in zijn boek Puntdichten uit 1809. Wat doet Huygens dan bij dit gedicht?

Terug naar de tekst zelf. Als je die op de juiste manier voorleest, dan rijmt heel op deel en negen op gekregen. De sommen staan in een wat wonderlijke notatie. In de eerste regel is duizend het ‘heel’ en als het in de volgende een half gaat, dan is dat dus 500 (zoals tussen haakjes erbij staat). Daar komt dan nog eens een heel keer honderd bij, één maal tien en dan twee maal negen. Dat is 628, wat samen met die eerste duizend het jaar 1628 geeft. Arnold Scheepers merkt op dat de onderstreepte getallen de uitkomsten zijn van de vergelijkingen direct ervoor. Sander Niemeijer voegt daaraan toe dat ‘½ deel’ in de voorlaatste regel waarschijnlijk betekent dat je één deelt door ½. Dat verklaart hoe je voor ‘6-½ deel’ op vier komt.

De hele discussie blijkt Georgina Verbaan nog verder te ontmoedigen: ‘Godsamme jongens, ik denk ik vraag Ionica even wat er in mijn bundeltje staat en nu zit ik met nog meer vragen en voel ik mij nóg stommer.’ Nergens voor nodig, want ook ik heb nog steeds geen idee wat dit met Huygens te maken heeft en waar die datum naar verwijst.

In de digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren zoek ik naar informatie over de gedichten van Constantijn Huygens. Dan vind ik de ontbrekende antwoorden in het Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters van, jawel, P. G. Witsen Geysbeek in een hoofdstuk over, jawel, Constantijn Huygens.

Mathematische poëzy blijkt een pastiche op een gedicht van Constantijn Huygens over hoe Prins Frederik Hendrik op 4 september 1628 naar Breda vertrok: ‘Twas Maendagh, en de Maen aen ‘tvoorste vierendeel;
’Twas mijn dagh, en mijn maend; en ’t jaer eens dusend heel, Eens half, eens hondert heel, eens thien, en tweemael neghen, Als Frederick…

Ha, daar ging die datum dus over! En die verjaardag van Constantijn Huygens zit hierin verstopt als ‘Het was mijn dag en mijn maand’, gevolgd door de som om tot 1628 te komen. P. G. Witsen Geysbeek schertste dus met de omslachtigheid van deze beschrijvingen in het gedicht dat Georgina Verbaan tegenkwam.

De moraal van dit alles: het is nergens voor nodig om je stom te voelen als je iets wiskundigs tegenkomt dat je niet begrijpt. Vaak moeten wiskundigen zelf ook een dagje op zoiets puzzelen – met hulp van een boel anderen.

Deze column verscheen op 2 juni 2018 in de Volkskrant.

Als los zand

Wat is er bij jou veranderd in de afgelopen zeven jaar? Bij mij is het nogal veel. In 2011 was Tex een baby en begon ik met deze column – toen nog in het tijdschrift Kinderen. Ik was destijds zzp’er en koos mijn werk volgens de 3 P’s: poen, prestige en plezier. Alles dat ik deed moest minstens twee van de drie p’s opleveren. Want ik moest geld verdienen, ik wilde een goede naam opbouwen en ik vond het belangrijk om voldoening uit mijn werk te halen. Met deze column lukte dat alledrie: een zeldzame combinatie.

Er veranderde nogal veel in de tussenliggende jaren. Han ging in de off-shore industrie werken en vloog de wereld over. Tex leerde lopen en praten. We kochten een huis met een tuin. Ik maakte tv-programma’s en werd steeds vaker herkend op straat. Mijn moeder kreeg borstkanker en werd nooit meer de oude. Maar ik zo blij dat ze er nog is, want er gingen veel lieve mensen dood de afgelopen jaren. Tex ging naar school. Rifka werd geboren. Han begon aan een opleiding tot klinisch fysicus. We kochten onze eerste auto. Ik werd benoemd als hoogleraar en ging weer vier dagen aan de universiteit werken.

En al die jaren schreef ik hier maandelijks over wat me in mijn gezin bezighield en zocht uit wat de wetenschap daarover te zeggen had. Over kleine vragen als ‘Wat doe je bij een luizenplaag?’ (kammen, kammen en nog eens kammen) en over grote vragen als ‘Zijn mensen zonder kinderen gelukkiger?’ (dat blijkt ingewikkeld te liggen, zoals vaak bij de echt grote vragen). Voor Kek Mama schrijven was een feest. De redactie maakte mijn tekst vaak net even iets soepeler, stuurde lovende reacties enthousiast door en fleurde me op als er boze brieven kwamen.

Alleen kwam er in de tussentijd van alle kanten meer werk bij. Steeds vaker zit ik ’s avonds of in het weekend achter mijn laptop terwijl Han iets leuks doet met de kinderen. De regel van de 3P’s voldoet niet meer. Want al dat werken gaat ten koste van mijn tijd met Han, Rifka en Tex. Daarom is dit mijn laatste column hier. Hoe jammer ik dat ook vind. Maar uiteindelijk doe ik liever iets leuks samen met mijn gezin dan dat ik alleen op zolder een stukje zit te typen over hoe leuk het is om dingen met dat gezin te doen.

Eén ding weet ik namelijk zeker: over zeven jaar is het 2025. Dan zal er weer heel veel veranderd zijn. Maar als alles goed gaat, wordt Tex dat jaar vijftien en Rifka tien. De tijd tikt genadeloos door en je moet zelf zorgen dat die niet als los zand door je vingers glijdt. In plaats van de 3 P’s wens ik jullie veel succes, geluk en vooral tijd voor dingen die je belangrijk vindt.

Deze column verscheen eerder in Kek Mama.