Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Nooit kreeg ik zoveel reacties op een column als toen ik vorig jaar schreef over hoe ik al twintig jaar worstel met mijn gewicht – en hoe ik van plan was naar de huisarts te gaan voor hulp. Veel lezers stuurden ontroerende verhalen over hun persoonlijke strijd tegen de overtollige kilo’s. Anderen deelden vol trots hoe zij al jaren moeiteloos op gewicht bleven. Verrassend veel mensen vonden het onzin dat ik naar de huisarts ging, zonde van zijn en mijn tijd.

    Dat bleek niet het geval. Tot mijn verbazing concludeerde mijn huisarts dat ik helemaal geen problematisch overgewicht heb. Mijn BMI is officieel misschien net iets te hoog, maar ik zag er volgens hem prima uit, at gezond en bewoog meer dan genoeg. Hij maakte zich geen enkele zorgen over mijn gewicht als gezondheidsrisico. Maar als ik zelf toch niet blij was met die kilo’s en daar meer grip op wilde, raadde hij me een evidence-based werkende diëtist aan.

    En zo werk ik nu al maanden onder begeleiding aan mijn lichaam en vooral aan hoe ik daarnaar kijk. Mijn wens om dunner te zijn blijkt vooral voort te komen uit schoonheidsidealen. In mijn hoofd staat dun gelijk aan gezond, terwijl ik nu gezonder leef dan toen ik een graatmagere twintiger was. Inmiddels schommelt mijn gewicht en ik vind mezelf altijd mooier als ik op mijn dunst ben. Een (immer slanke) vriend reageerde verbaasd toen ik hem dit vertelde: gewicht was toch maar een van de vele variabelen van hoe je eruitzag?

    Misschien was ik te streng voor mijn lichaam. Zo kocht ik altijd alleen mooie kleding als ik op mijn lichtst was. De diëtist gaf me na onze eerste afspraak de opdracht om kleding te kopen die fijn zit bij mijn huidige lichaam. Ik paste een broek die lelijk bolde bij mijn buik. Vroeger had ik de broek teruggehangen en mezelf toegesproken dat ik eerst maar eens een paar kilo moest afvallen. Nu zei ik hardop wat ik niet mooi vond en bleek de verkoper moeiteloos een model te vinden dat wél glorieus stond.

    Daarnaast werk ik ook aan een gezonder eetpatroon: meer eten van de voedingsmiddelen waaraan mijn lijf behoefte heeft en minder tussendoor snacken. De diëtist adviseerde me bijvoorbeeld om over te stappen op gevarieerdere en voedzamere lunches dan de twee boterhammen die ik meestal nam. Sindsdien grijp ik niet meer halverwege de middag alweer naar iets hartigs. Verder helpt ze me om te begrijpen waarom ik soms iets te eten neem terwijl ik niet echt honger heb. Wil ik afleiding? Zoek ik troost? Wil ik beleefd zijn? En kan dat ook op een andere manier?

    Het gaat, zoals elke verandering, allemaal nogal langzaam: zowel het afstappen van een onrealistisch schoonheidsideaal (dank nog aan de jaren negentig waarin ik opgroeide) als het veranderen van die minder gezonde eetpatronen.

    Het was ongelooflijk lief dat veel lezers me de afgelopen maanden hierover bleven mailen: ‘Het is al een tijdje geleden dat je over je gewicht schreef. Je bent hier vast nog mee bezig. Laat je weten hoe het gaat?’ Het gaat dus goed. De komende weken loop ik vrolijk in een bikini.

    Deze column verscheen op 2 juli 2026 in de Volkskrant.

  • Ze liggen er onschuldig bij in hun vitrine in Rijksmuseum Boerhaave. Twee platte, grijsbruine stenen, ongeveer zo groot als mijn hand. Erop staan priegelige inscripties die ik niet kan ontcijferen zonder mijn leesbril.

    Deze mysterieuze stenen werden in 1726 beschreven in het boek Lithographiae Wirceburgensis van Johann Beringer, een hoogleraar filosofie en geneeskunde aan de Universiteit van Würzburg. Beringer verzamelde fossielen en liet jongemannen voor hem zoeken naar interessante stenen in de omgeving van Würzburg. Toen zij aankwamen met dit soort stenen vol inscripties, gaf Beringer hun opdracht om te zoeken of er meer waren. Uiteindelijk verzamelde hij er vele honderden, met afbeeldingen van dieren, hemellichamen en teksten in verschillende talen.

    In die tijd was nog niet duidelijk wat fossielen precies zijn en Beringer opperde in zijn boek een aantal theorieën over het ontstaan van die wonderlijke stenen. Waren de stenen met plaatjes van kikkers resten van levende dieren? Waren de inscripties gemaakt door een eerdere beschaving? Maar die zouden toch niet de naam van God in het Hebreeuws kunnen schrijven? Beringer concludeerde dat de meest aannemelijke verklaring was dat God zelf deze stenen had gemaakt.

    Vlak nadat Beringer zijn boek had uitgebracht, besefte hij dat hij voor de gek was gehouden. Volgens de overlevering doordat hij een steen vond waar zijn eigen naam opstond. Alle stenen bleken te zijn gemaakt en neergelegd door twee collega’s die Beringer maar een arrogante eikel vonden. Zij werden ontslagen, maar ook Beringers reputatie was voorgoed vernietigd.

    De twee Würzburger leugenstenen maken deel uit van de tentoonstelling Waarheid? Kunst van de twijfel, net als een van de zeldzame bewaard gebleven exemplaren van de Lithographiae Wirceburgensis. De begeleidende tekst legt onder het kopje broze betrouwbaarheid uit hoe snel je je geloofwaardigheid als wetenschapper kunt verliezen.

    Ik zie er ook iets anders in: hoe misinformatie en misleiding van alle tijden zijn. Iets dat de tentoonstelling op allerlei manieren laat zien, samen met hoe we leerden om bepaalde informatie en personen wel te vertrouwen. Een van de naarste effecten van de huidige stortvloed aan (al dan niet met AI gemaakt) nepnieuws, onzin en desinformatie is dat mensen steeds vaker ook echte informatie aanzien voor nep.

    Mijn vriend negeerde maandenlang berichten van zijn bank die hem vroeg om zich opnieuw te identificeren. Hij dacht dat oplichters probeerden om hem een kopie van zijn paspoort te ontfutselen. Pas toen ook zijn partner een brief kreeg dat hun gezamenlijke rekening geblokkeerd zou worden als die identificatie niet snel geregeld werd, was hij overtuigd dat het echt was.

    Hoe herken je wat waar is en wat niet? Hoe kun je iets zeker weten? Het zijn oude vragen die actueler zijn dan ooit. De tentoonstelling in Rijksmuseum Boerhaave is tot begin januari te zien en in oktober opent in Teylers Museum Zeker weten? Hoe wetenschap werkt. Verder trekt de wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos dit najaar langs theaters met de show Wat is echt, en wat is nep? (En in Rotterdam en Haarlem doe ik mee). Daar kunt u dus allemaal naartoe. En probeer daarnaast ook om te voorkomen dat uw collega’s zo’n hekel aan u krijgen dat ze duizenden vervalsingen maken om uw reputatie te verwoesten.

    Info en kaarten voor de theatershow van de Volkskrant-wetenschapsredactie met Ionica Smeets: volkskrant.nl/live

    Deze column verscheen op 25 juni 2026 in de Volkskrant.

  • Wie zou de ideale presentator zijn voor de presentatie van ‘De auto, de geit en de wiskunde’ in de Leidse Schouwburg – Stadsgehoorzaal, vroegen Jan Beuving en ik ons af. Iemand die als een tv-presentator het driedeurenspel met een kandidaat uit het publiek kan spelen, die ons kan interviewen en die kan improviseren met de zaal. We wisten wel iemand, maar schatten de kans kleiner dan 1/3 dat die zou willen.

    Maar… Arjen Lubach zei ja! En om het nog leuker te maken, kondigden we alleen aan dat er een gelikte presentator zou komen, zonder te zeggen wie. Toen hij opkwam, riep één man in het publiek heel hard: ‘DIT IS EEN VERRASSING!’

    Het werd een geweldige avond. Kandidaat Karin koos de juist deur en won de auto 🚘. Jan vertelde over de eerste keer dat hij van het driedeurenprobleem hoorde: ‘Ik begreep er meteen niks van.’ Zijn technicus Rob Touwslager zorgde voor het podiumbeeld en lichtplan.

    We speelden een petje-op-petje-af-quiz, met vragen als: ‘Welke Nederlandse auteur nam een geit mee op zijn boektour? Was dat Tommy Wieringa of Arnon Grunberg?’ Ik gaf een mini-college over de geschiedenis van het driedeurenprobleem. Tom Dicke speelde jingles, soundscapes en natuurlijk zijn eigen muziek bij de liedjes van Jan. Zoals de Drs. P-uitsmijter. En we verkochten en signeerden heel veel boeken, tot vreugde van Uitgeverij Nieuwezijds. Dit alles was, om diverse redenen, echt eenmalig. Maar het boek is gelukkig te koop in heel Nederland en Vlaanderen!

  • Medewerkers van de Radboud Universiteit in Nijmegen zijn boos over de strategie van hun universiteit. Het begon toen letterendecaan Paula Fikkert haar functie neerlegde, omdat het werk niet te combineren was met haar onderzoek én omdat ze het niet eens was met de koers van het universiteitsbestuur: ‘De richting waarin de universiteit zich beweegt wordt niet langer bepaald door onze eigen academici maar door consultants.’ Er volgde bijval, vanuit haar eigen faculteit en vanuit de rest van de universiteit.

    Ik herkende de klachten over doorgeslagen efficiëntiedenken en financiële doelmatigheid, maar bleef hangen aan een zinnetje van een boze medewerker: ‘Niemand van de mensen die nu al die plannen maken is gepromoveerd.’ Op de universiteit heerst soms het waanidee dat je voor elke functie geschikt bent als je gepromoveerd bent (en andersom: dat je ongeschikt bent als je niet gepromoveerd bent).

    Er staan doorgaans weinig wetenschappers in de rij voor bestuursfuncties. Ooit las ik een detective over de moord op een hoogleraar. Deze man was net benoemd tot instituutsdirecteur en was neergestoken door een jaloerse collega die deze functie voor zichzelf wilde. Toen ik dit vertelde tijdens een lunch op de universiteit, begon iedereen te grinniken. Totaal onrealistisch: mensen zullen eerder een moord plegen om géén instituutsdirecteur te hoeven worden. Hoe komt dat? De universiteit heeft als kerntaken ‘het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs, doen van wetenschappelijk onderzoek en (…) het overdragen van kennis ten behoeve van de maatschappij.’

    Besturen komt daar nog bij als vierde taak. Alle taken zijn gelijk, maar sommige taken zijn meer gelijk dan andere. Als je een grote onderzoeksbeurs krijgt, kun je daarmee je onderwijstaak afkopen. Andersom mogen bij sommige studies uitstekende docenten zonder doctorstitel geen college meer geven. Nee, stel je voor dat er iemand voor de zaal komt die zich liever verdiepte in didactiek dan promotie-onderzoek te doen. Een vriend die decaan werd, kreeg een paar keer per week de vraag of hij zijn onderzoek niet miste, niemand vroeg naar zijn onderwijs of publiekswerk. Zelf maakte ik het afgelopen jaar een boek met cabaretier Jan Beuving. Meermaals zeiden collega’s: ‘Leuk, zolang het niet afleidt van je echte werk.’

    Het echte werk betekent aan de universiteit doorgaans onderzoek. En dat is dus ook precies waar we mensen toe opleiden tijdens een promotietraject. Deze week presenteerden Promovendi Netwerk Nederland, de Jonge Akademie en het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap & Samenleving de inspiratiegids PhD van de toekomst. Daarin beschrijven ze hoe promotietrajecten nu vrijwel volledig draaien om het publiceren van peer-reviewed artikelen, terwijl promovendi in de praktijk bijdragen aan alle onderdelen van het wetenschappelijk takenpakket.

    Er is een landelijk programma Erkennen & Waarderen dat zich richt op ruimte geven voor de volle breedte van die universitaire taken, maar promovendi krijgen te horen dat dit programma niet voor hen is bedoeld. De inspiratiegids geeft voorbeelden van promovendi die zich desondanks tijdens hun onderzoek inzetten voor samenwerkingen buiten de universiteit, bouwen aan open software, of een documentaire maken. Allemaal onderdelen van het echte werk – tijd dat dit erkend wordt.

    Deze column verscheen op 18 juni 2026 in de Volkskrant.