Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Hoe goed bent u met getallen, op een schaal van 1 tot 5? En als het zes machines zes minuten kost om zes identieke poppetjes te maken, hoeveel tijd kost het dan honderd machines om honderd van die poppetjes te maken? En verandert deze tweede vraag iets aan uw antwoord op de eerste vraag?

    Britse collega’s wezen me op het deze maand verschenen rapport Number Nation, over gecijferdheid in het Verenigd Koninkrijk. Hierin brengt de liefdadigheidsorganisatie Richmond Project in kaart hoe Britten omgaan met cijfers. Ze stelden ruim achtduizend volwassenen vragen zoals de twee waarmee deze column begon.

    ‘Slechts 40 procent van de deelnemers scoort hoog op het gebied van gecijferdheid en een meerderheid van de Britten overschat hoe goed ze zijn met getallen’, luidt een van de hoofdconclusies van het rapport. Maar als iemand die, al zeg ik het zelf, nogal goed is met getallen, vraag ik me gelijk af hoe ze dit hebben gemeten.

    Het rapport dient vermoedelijk een politiek doel, het Richmond Project is opgericht door oud-premier Rishi Sunak en zijn vrouw Akshata Murty. Als premier streed Sunak voor verplichte wiskunde voor alle Britse leerlingen tot hun 18de en nu zet hij zich in voor gecijferdheid. Best sympathiek dat een oud-premier zoiets doet in plaats van voor een investeringsbank te gaan werken. Al blijkt Sunak óók voor een investeringsbank te werken.

    Leuk detail uit zijn rapport: een grafiek laat per inkomensgroep zien welk deel van de volwassenen het leuk vindt om met getallen bezig te zijn. De groep met een inkomen van minder dan 10 duizend pond per jaar scoort het slechtst: slechts 34 procent van hen heeft plezier in werken met getallen. Bij de inkomensgroep van meer dan 100 duizend pond per jaar is dat maar liefst 80 procent. ‘Omgaan met geld, tijd indelen en problemen oplossen zijn belangrijk voor de meeste volwassenen. Wat verschilt is de mate waarin mensen deze taken leuk vinden’, schrijft het rapport. Wat ze níét benoemen, is dat al die taken waarschijnlijk een stuk minder plezierig zijn als je grote geldzorgen hebt.

    Terug naar de vraag hoe ze erbij komen dat de meeste mensen zichzelf overschatten. Het rapport gebruikt een eigen schaal voor gecijferdheid, bestaande uit een combinatie van schoolcijfers (ik vermoed: door deelnemers zelfgerapporteerde schoolcijfers, een subtiel verschil) en hoe goed deelnemers scoren op een aantal wiskundige vragen in het onderzoek. Welke wiskundige vragen er zijn gebruikt, vermeldt het rapport niet. De machinevraag hierboven heb ik uit een bestaande test gehaald (het goede antwoord is overigens: zes minuten), ik vermoed dat het dit soort vragen waren.

    Vervolgens zijn die schoolcijfers en testscore op de een of andere manier gecombineerd tot vier niveaus van gecijferdheid: heel laag, laag, hoog en heel hoog. Blijkbaar bestaat er geen normale gecijferdheid, je bent óf laag óf hoog. Daarna hebben ze gekeken naar mensen die zichzelf een 4 of 5 gaven op de vraag ‘Hoe goed bent u met getallen, op een schaal van 1 tot 5?’, maar niet (heel) hoog scoorden op gecijferdheid. En van deze mensen wordt geconcludeerd dat ze zichzelf overschatten.

    Is dat terecht? Dat is onmogelijk te zeggen vanuit de data die worden gegeven. Jammer voor een organisatie die pleit voor betere omgang met cijfers. Je zou bijna denken dat de auteurs hun eigen vaardigheden om cijfers goed te gebruiken hebben overschat.

    Deze column verscheen op 23 januari 2026 in de Volkskrant.

  • ‘Zoals Einstein al zei: je snapt het pas echt, als je het kunt uitleggen aan een 6-jarige’, hoorde ik gisteren iemand zeggen tijdens een discussie. Zoals altijd wanneer iemand Einstein aanhaalt, zocht ik gelijk even op of er een betrouwbare bron was die bevestigde dat hij dit daadwerkelijk gezegd had. Zoals vrijwel altijd was het antwoord: ‘Neen.’

    Petra De Sutter, rector van de Universiteit Gent, heeft deze gewoonte blijkbaar niet, want afgelopen week werd bekend dat zij in een toespraak een verzonnen citaat van Einstein voorlas. ‘Dogma is the enemy of progress’, zou Einstein in 1929 gezegd hebben tijdens een toespraak aan de Sorbonne-universiteit in Parijs. Maar deze uitspraak bleek een verzinsel te zijn van generatieve AI. En er zaten nog twee niet-bestaande citaten in dezelfde toespraak van De Sutter.

    Op de website van de Universiteit Gent staat een correctie en een verklaring: ‘Bij het redigeren van de rede werden als gevolg van het gebruik van generatieve AI enkele citaten en bronverwijzingen foutief voorgesteld.’ Hoe dan? Stond er in de eerste versie een correct citaat van Einstein (ze bestaan) en is dat door AI veranderd in deze onzin? Of heeft AI spontaan een citaat toegevoegd? En hoe past dit binnen de AI-richtlijnen van de Universiteit Gent?

    Daarin staat bijvoorbeeld dat verwijzen naar door AI verzonnen bronnen een vorm van fraude is en dat het presenteren van een door AI gegenereerde tekst ‘waarbij de principes over verantwoord gebruik niet gerespecteerd worden’ een vorm van plagiaat is. (Collega Felienne Hermans zette deze week nog eens overzichtelijk al haar argumenten tegen het gebruik van generatieve AI op een rijtje en benadrukte voor de zoveelste keer dat er überhaupt geen ‘verantwoord gebruik’ bestaat, omdat je bij gebruik medeverantwoordelijk bent voor milieuschade en de plundering van het werk van menselijke schrijvers, muzikanten en illustratoren.)

    Onze studenten krijgen tot vervelens toe te horen wat ze wel en niet mogen met generatieve AI. Daarnaast moeten ze bij elke opdracht een AI-verklaring geven, met daarin of en hoe ze AI-tools hebben gebruikt. Dat is er zo ingehamerd dat studenten die tijdens een college met de hand een poster tekenden, keurig met viltstift in de kantlijn schreven: ‘Tijdens het maken van deze poster hebben we geen AI gebruikt.’

    En nu zien die studenten dus hoe een rector volkomen de mist ingaat met citaten die door AI zijn verzonnen. Er zijn mensen die vinden dat die rector daarom ontslagen zou moeten worden. Ik weet niet of dat redelijk is, of juridisch haalbaar. Daarbij vermoed ik dat veel speeches op bestuursniveau worden geschreven door beleidsmedewerkers, op basis van ideeën van de spreker. Zou het in dat geval De Sutter te verwijten zijn als een medewerker hierbij generatieve AI heeft gebruikt? Al had ze zich als wetenschapper natuurlijk wel gelijk mogen afvragen of dat citaat van Einstein wel klopte. Want was hij het niet die schreef: ‘Don’t think about why you question, simply don’t stop questioning’?

    Deze column verscheen op 16 januari 2026 in de Volkskrant.

  • In 2025 heb ik weer veel verschillende boeken gelezen, bij Frontaal Naakt schreef ik over mijn 5 favorieten van het afgelopen jaar:

    1. Karim Amghar – Maar dat begrijp jij toch niet
    2. Christien Brinkgreve – Beladen huis
    3. Carys Davies – Clear
    4. Tom Gauld – Physics for cats
    5. Jennifer Valentine – Us in the before and after

    Hier kunt u mijn uitgebreide omschrijven van, en gedachten bij, deze fantastische boeken lezen.

  • De kinderen in onze straat maakten zich op voor het grootste sneeuwballengevecht uit hun leven, op het station stonden honderden reizigers heel hard te hopen dat er toch nog een trein zou rijden en het KNMI schaalde maar weer op van code geel naar code oranje. Mijn Finse collega liep grinnikend rond in zijn zomerjas, maar verder was de sneeuw toch wel een tikje ontwrichtend. Wat is eigenlijk het verschil tussen code geel en code oranje?

    Het KNMI geeft hier uitgebreid uitleg over op hun website. Bij code geel is er kans op gevaarlijk weer en is het advies om op te letten, vooral als je onderweg bent. Bij code oranje is er een grote kans op gevaarlijk weer en is het advies om alleen de weg op te gaan als het niet anders kan.

    Wat is dan het verschil tussen een gewone kans op gevaarlijk weer en een grote kans op gevaarlijk weer? Dat blijkt keurig gedefinieerd per weertype. Voor mist is de regel dat minder dan 200 meter zicht code geel is en bij minder dan 10 meter zicht wordt het code oranje.

    Bij gladheid door ijzel en sneeuw is de richtlijn voor code geel: ‘plaatselijke gladheid […], tot 5 centimeter sneeuw in 6 uur, tot 3 centimeter sneeuw in 1 uur.’ Bij code oranje staat: ‘op uitgebreide schaal gladheid […], vanaf 5 centimeter sneeuw in 6 uur, vanaf 3 centimeter sneeuw in 1 uur, […] driftsneeuw (vanaf 40 km per uur), leidend tot sneeuwduinen.’ Ook voor regen, onweer, windstoten, hitte, kou en mist gebruikt KNMI precies vastgelegde grenswaarden voor code geel en oranje.

    Foto door Filip Bunkens op Unsplash

    Er bestaat daarnaast nog code rood, waarbij ‘de weersituatie voor zoveel schade, letsel en overlast [kan] zorgen dat het maatschappij-ontwrichtend kan zijn’ en de dringende oproep is: ‘Ga niet op reis.’ Maar voor code rood zijn er nergens precieze definities te vinden. Nu is code rood ook behoorlijk zeldzaam, deze waarschuwing werd voor het laatst afgegeven in juli 2023 voor de storm Poly. Ter vergelijking: code oranje werd in 2025 vijf keer afgegeven en in 2024 en 2023 elk negen keer.

    Het interessante is dat code rood niet wordt gedefinieerd op basis van de weersomstandigheden alleen, maar op de verwachte impact ervan. Een onweersbui boven een groot openluchtevenement kan een code rood geven, terwijl dezelfde onweersbui op een andere plek en tijd hooguit code oranje zou zijn.

    Waarschuwingen gaan doorgaans per provincie en het KNMI geeft ze pas af na een breed overleg met partners als het Nationaal Crisiscentrum, het Verkeerscentrum Nederland, ProRail, de politie en de brandweer. Het gaat hierbij namelijk om een combinatie van expertise over de verwachte weersomstandigheden en een inschatting van de impact daarvan.

    Ik vind dit nog mooier dan een wit winterwonderland: je definieert het precies waar het kan, maar waar het nodig is, hanteer je de menselijke maat.

    Deze column verscheen op 7 januari 2026 in de Volkskrant.