Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Ze liggen er onschuldig bij in hun vitrine in Rijksmuseum Boerhaave. Twee platte, grijsbruine stenen, ongeveer zo groot als mijn hand. Erop staan priegelige inscripties die ik niet kan ontcijferen zonder mijn leesbril.

    Deze mysterieuze stenen werden in 1726 beschreven in het boek Lithographiae Wirceburgensis van Johann Beringer, een hoogleraar filosofie en geneeskunde aan de Universiteit van Würzburg. Beringer verzamelde fossielen en liet jongemannen voor hem zoeken naar interessante stenen in de omgeving van Würzburg. Toen zij aankwamen met dit soort stenen vol inscripties, gaf Beringer hun opdracht om te zoeken of er meer waren. Uiteindelijk verzamelde hij er vele honderden, met afbeeldingen van dieren, hemellichamen en teksten in verschillende talen.

    In die tijd was nog niet duidelijk wat fossielen precies zijn en Beringer opperde in zijn boek een aantal theorieën over het ontstaan van die wonderlijke stenen. Waren de stenen met plaatjes van kikkers resten van levende dieren? Waren de inscripties gemaakt door een eerdere beschaving? Maar die zouden toch niet de naam van God in het Hebreeuws kunnen schrijven? Beringer concludeerde dat de meest aannemelijke verklaring was dat God zelf deze stenen had gemaakt.

    Vlak nadat Beringer zijn boek had uitgebracht, besefte hij dat hij voor de gek was gehouden. Volgens de overlevering doordat hij een steen vond waar zijn eigen naam opstond. Alle stenen bleken te zijn gemaakt en neergelegd door twee collega’s die Beringer maar een arrogante eikel vonden. Zij werden ontslagen, maar ook Beringers reputatie was voorgoed vernietigd.

    De twee Würzburger leugenstenen maken deel uit van de tentoonstelling Waarheid? Kunst van de twijfel, net als een van de zeldzame bewaard gebleven exemplaren van de Lithographiae Wirceburgensis. De begeleidende tekst legt onder het kopje broze betrouwbaarheid uit hoe snel je je geloofwaardigheid als wetenschapper kunt verliezen.

    Ik zie er ook iets anders in: hoe misinformatie en misleiding van alle tijden zijn. Iets dat de tentoonstelling op allerlei manieren laat zien, samen met hoe we leerden om bepaalde informatie en personen wel te vertrouwen. Een van de naarste effecten van de huidige stortvloed aan (al dan niet met AI gemaakt) nepnieuws, onzin en desinformatie is dat mensen steeds vaker ook echte informatie aanzien voor nep.

    Mijn vriend negeerde maandenlang berichten van zijn bank die hem vroeg om zich opnieuw te identificeren. Hij dacht dat oplichters probeerden om hem een kopie van zijn paspoort te ontfutselen. Pas toen ook zijn partner een brief kreeg dat hun gezamenlijke rekening geblokkeerd zou worden als die identificatie niet snel geregeld werd, was hij overtuigd dat het echt was.

    Hoe herken je wat waar is en wat niet? Hoe kun je iets zeker weten? Het zijn oude vragen die actueler zijn dan ooit. De tentoonstelling in Rijksmuseum Boerhaave is tot begin januari te zien en in oktober opent in Teylers Museum Zeker weten? Hoe wetenschap werkt. Verder trekt de wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos dit najaar langs theaters met de show Wat is echt, en wat is nep? (En in Rotterdam en Haarlem doe ik mee). Daar kunt u dus allemaal naartoe. En probeer daarnaast ook om te voorkomen dat uw collega’s zo’n hekel aan u krijgen dat ze duizenden vervalsingen maken om uw reputatie te verwoesten.

    Info en kaarten voor de theatershow van de Volkskrant-wetenschapsredactie met Ionica Smeets: volkskrant.nl/live

    Deze column verscheen op 25 juni 2026 in de Volkskrant.

  • Wie zou de ideale presentator zijn voor de presentatie van ‘De auto, de geit en de wiskunde’ in de Leidse Schouwburg – Stadsgehoorzaal, vroegen Jan Beuving en ik ons af. Iemand die als een tv-presentator het driedeurenspel met een kandidaat uit het publiek kan spelen, die ons kan interviewen en die kan improviseren met de zaal. We wisten wel iemand, maar schatten de kans kleiner dan 1/3 dat die zou willen.

    Maar… Arjen Lubach zei ja! En om het nog leuker te maken, kondigden we alleen aan dat er een gelikte presentator zou komen, zonder te zeggen wie. Toen hij opkwam, riep één man in het publiek heel hard: ‘DIT IS EEN VERRASSING!’

    Het werd een geweldige avond. Kandidaat Karin koos de juist deur en won de auto 🚘. Jan vertelde over de eerste keer dat hij van het driedeurenprobleem hoorde: ‘Ik begreep er meteen niks van.’ Zijn technicus Rob Touwslager zorgde voor het podiumbeeld en lichtplan.

    We speelden een petje-op-petje-af-quiz, met vragen als: ‘Welke Nederlandse auteur nam een geit mee op zijn boektour? Was dat Tommy Wieringa of Arnon Grunberg?’ Ik gaf een mini-college over de geschiedenis van het driedeurenprobleem. Tom Dicke speelde jingles, soundscapes en natuurlijk zijn eigen muziek bij de liedjes van Jan. Zoals de Drs. P-uitsmijter. En we verkochten en signeerden heel veel boeken, tot vreugde van Uitgeverij Nieuwezijds. Dit alles was, om diverse redenen, echt eenmalig. Maar het boek is gelukkig te koop in heel Nederland en Vlaanderen!

  • Medewerkers van de Radboud Universiteit in Nijmegen zijn boos over de strategie van hun universiteit. Het begon toen letterendecaan Paula Fikkert haar functie neerlegde, omdat het werk niet te combineren was met haar onderzoek én omdat ze het niet eens was met de koers van het universiteitsbestuur: ‘De richting waarin de universiteit zich beweegt wordt niet langer bepaald door onze eigen academici maar door consultants.’ Er volgde bijval, vanuit haar eigen faculteit en vanuit de rest van de universiteit.

    Ik herkende de klachten over doorgeslagen efficiëntiedenken en financiële doelmatigheid, maar bleef hangen aan een zinnetje van een boze medewerker: ‘Niemand van de mensen die nu al die plannen maken is gepromoveerd.’ Op de universiteit heerst soms het waanidee dat je voor elke functie geschikt bent als je gepromoveerd bent (en andersom: dat je ongeschikt bent als je niet gepromoveerd bent).

    Er staan doorgaans weinig wetenschappers in de rij voor bestuursfuncties. Ooit las ik een detective over de moord op een hoogleraar. Deze man was net benoemd tot instituutsdirecteur en was neergestoken door een jaloerse collega die deze functie voor zichzelf wilde. Toen ik dit vertelde tijdens een lunch op de universiteit, begon iedereen te grinniken. Totaal onrealistisch: mensen zullen eerder een moord plegen om géén instituutsdirecteur te hoeven worden. Hoe komt dat? De universiteit heeft als kerntaken ‘het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs, doen van wetenschappelijk onderzoek en (…) het overdragen van kennis ten behoeve van de maatschappij.’

    Besturen komt daar nog bij als vierde taak. Alle taken zijn gelijk, maar sommige taken zijn meer gelijk dan andere. Als je een grote onderzoeksbeurs krijgt, kun je daarmee je onderwijstaak afkopen. Andersom mogen bij sommige studies uitstekende docenten zonder doctorstitel geen college meer geven. Nee, stel je voor dat er iemand voor de zaal komt die zich liever verdiepte in didactiek dan promotie-onderzoek te doen. Een vriend die decaan werd, kreeg een paar keer per week de vraag of hij zijn onderzoek niet miste, niemand vroeg naar zijn onderwijs of publiekswerk. Zelf maakte ik het afgelopen jaar een boek met cabaretier Jan Beuving. Meermaals zeiden collega’s: ‘Leuk, zolang het niet afleidt van je echte werk.’

    Het echte werk betekent aan de universiteit doorgaans onderzoek. En dat is dus ook precies waar we mensen toe opleiden tijdens een promotietraject. Deze week presenteerden Promovendi Netwerk Nederland, de Jonge Akademie en het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap & Samenleving de inspiratiegids PhD van de toekomst. Daarin beschrijven ze hoe promotietrajecten nu vrijwel volledig draaien om het publiceren van peer-reviewed artikelen, terwijl promovendi in de praktijk bijdragen aan alle onderdelen van het wetenschappelijk takenpakket.

    Er is een landelijk programma Erkennen & Waarderen dat zich richt op ruimte geven voor de volle breedte van die universitaire taken, maar promovendi krijgen te horen dat dit programma niet voor hen is bedoeld. De inspiratiegids geeft voorbeelden van promovendi die zich desondanks tijdens hun onderzoek inzetten voor samenwerkingen buiten de universiteit, bouwen aan open software, of een documentaire maken. Allemaal onderdelen van het echte werk – tijd dat dit erkend wordt.

    Deze column verscheen op 18 juni 2026 in de Volkskrant.

  • ‘U bent toch diegene van dat geweldige televisieprogramma? Ik kijk het nog elk jaar terug met mijn leerlingen. Over voetbal en wiskunde.’ Tijdens een avondwandeling werd ik ineens aangesproken over Hoe winnen we het WK?uitgezonden in 2013.

    Dat programma kende een bijzondere aanloop. In 2012 mocht ik Sofie van den Enk tijdens haar zwangerschapsverlof vervangen als presentator in het KRO-programma De Rekenkamer. Toen de opnamen klaar waren, werd ik uitgenodigd voor een gesprek bij de omroep. Mijn fantasie sloeg op hol. Zou ik een vaste rol krijgen in De Rekenkamer? Zochten ze een opvolger voor Yvon Jaspers in Boer zoekt vrouw? Of (dit was de droom) zouden ze me een eigen populairwetenschappelijk programma aanbieden?

    Het gesprek bleek even vriendelijk als kort: ze bedankten mij voor de prettige samenwerking en wensten me veel succes in de toekomst. Ze schoven hun stoel naar achteren om om weer door te gaan, maar eerst vroegen ze: ‘Of wilde jij nog iets zeggen?’ ‘Nu ja, als jullie ooit een programma over wiskunde willen maken, dan mogen jullie me altijd bellen’, zei ik quasi-nonchalant. Ze schoven hun stoelen terug. Wiskunde? Na even nadenken vroegen ze of ik een programma over voetbal en wiskunde zou kunnen bedenken. ‘Natuurlijk’, antwoordde ik.

    Foto door Emilio Garcia op Unsplash

    Lezer, ik wist níéts van voetbal. Maar ik wist wel dat je bij elk onderwerp iets interessants qua wiskunde kunt vinden. En ik begreep ook dat er meer mensen geïnteresseerd waren in een programma over voetbal dan in een programma over wiskunde. Dus ik ging aan de slag en las me in over speltheorie van penalty’s, netwerkanalyses van passes en optimalisatie van opstellingen. Ik stuurde een pitch naar de KRO. Het antwoord was wederom even vriendelijk als kort: ze gingen ernaar kijken.

    Daarna hoorde ik heel lang niets. Tot ik bijna een jaar later een telefoontje kreeg. Kon ik dat programma over voetbal en wiskunde nog maken? En wilde ik dan gelijk nog drie afleveringen bedenken en maken? Dat wilde ik wel. Al wist ik vooral veel van wiskunde en niets van hoe je televisie maakt. Gelukkig kwam ik terecht in een geweldig team dat dit wel wist. ‘Hoe moeilijker de wiskunde is, hoe mooier we het in beeld gaan brengen’, zei de regisseur. We pakten uit met visuele metaforen, persoonlijke verhaallijnen en spectaculaire droneshots (in 2013 was dit pionieren). Ik presenteerde het samen met de ervaren Sofie van den Enk en de lijst dingen die ik daarbij van haar leerde past niet in de kantlijn van deze column.

    Gisteren keek ik het programma voor het eerst in ruim tien jaar terug. Wat waren Sofie en ik nog jong! Wat niet verouderd was, was de wiskunde. Dat je uit een selectie van 23 spelers maar liefst 53.970.627.110.400 verschillende opstellingen kunt maken. Hoe je met twee keer de stelling van Pythagoras laat zien dat een penalty strak in de kruising niet te stoppen is. Hoe het beste team maar zo’n 28 procent kans heeft om de wereldbeker te winnen, omdat er maar zo weinig doelkansen zijn. Sommige statistieken kunnen misschien een update gebruiken, maar de principes blijven hetzelfde. En er zijn dus mensen die deze aflevering elk jaar bekijken. Ik hoop dat Ronald Koeman een van hen is.

    Deze column verscheen op 11 juni 2026 in de Volkskrant.