Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • ‘Een kans van bijna 10 procent op een succesvolle match. Daar zou je toch vooraf voor tekenen. Elf door een ander georkestreerde dates en bam, je hebt de vader of moeder van je toekomstige kinderen gevonden.’ Dit schreef Rob Goossens van RTL Boulevard vorige week over Married at First Sight.

    In dit televisieprogramma leggen vrijgezelle kandidaten hun lot in de handen van psychologen en matchmakers die voor hen de ideale partner zoeken, waarmee ze vervolgens bij de eerste ontmoeting trouwen. Een nogal heftig concept. De Britse versie van Married at First Sight kwam deze maand in het nieuws nadat een aantal vrouwen melding hadden gemaakt van seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens de opnamen.

    Het stuk van Goossens ging over de Nederlandse editie en de vraag of het programma wel werkt om mensen bij elkaar te brengen. De afgelopen seizoenen trouwden er in totaal 64 stellen, waarvan er nog zes bij elkaar zijn: een slagingspercentage van ongeveer 9,4 procent. Kritische geesten concludeerden dat het programma doorgaans dus níét de ideale partner voor hun kandidaten weet te vinden. Maar Rob Goossens vindt dat onzin en jubelt hoe geweldig iets minder dan 10 procent kans op succes is.

    Foto door Sandy Millar op Unsplash

    Lezer Sandra Zuidema wees me op zijn redenering: ‘Dit bezorgde mij kortsluiting in de hersenen. Goossens stelt dat bij een slagingspercentage van iets minder dan 10 procent er na elf dates een perfecte match is. Kansrekening moet je aan duiders overlaten die wél verstand van zaken hebben.’

    Voordat ik losga over kansen, lijkt het me goed om te bekennen dat ik met enige gêne terugkijk op hoe ik bijna twintig jaar geleden schreef en praatte over liefde & wiskunde. Alsof ik een gouden formule wist waarmee je gelukkig in de liefde zou worden. Het is meer geluk dan wijsheid dat ik nog steeds verkering heb met dezelfde leuke man als toen.

    Gelukkig heb ik meer verstand van kansrekening. We nemen aan dat er een ware liefde bestaat (in Goossens’ woorden: ‘bam, de vader of moeder van je toekomstige kinderen’) en dat je per date een kans van 9,4 procent hebt dat die persoon tegenover je belandt. Heb je dan na elf dates gegarandeerd de ware gevonden? Spoiler: natuurlijk niet.

    Bij één date is de kans op succes 9,4 procent. De kans op succes na twee dates is niet het dubbele daarvan. Er zijn twee manieren om succes te hebben bij twee dates: het lukt bij de eerste date niet en bij de tweede date wel, of het lukt gelijk bij de eerste date. De kansen daarop zijn respectievelijk ongeveer 8,5 procent en 9,4 procent, bij elkaar zo’n 17,9 procent.

    Voor succes na elf dates moet je rekening houden met elf mogelijke succesmomenten. Het is veel handiger om te kijken wat de kans is dat het bij al die dates níét lukt en daar het omgekeerde van te nemen. Bij elke date heb je 90,6 procent kans dat je niet tegenover de ware zit. De kans dat het elf keer op een rij niet lukt is 0,906 tot de elfde macht, ongeveer 33,7 procent. De kans dat je binnen elf dates de ware te vindt, is daarmee 66,3 procent. Niet slecht, maar geen gegarandeerd succes. Omdat er dus geen gouden formule bestaat om de liefde te vinden.

    Deze column verscheen op 28 mei 2026 in de Volkskrant.

  • ‘Dag docenten! Goed dat jullie er zijn bij deze introductie van ons systeem voor de administratie van de cijfers van studenten. Het systeem is niet heel gebruiksvriendelijk, hahaha. Zijn jullie al ingelogd?

    ‘Kijk, hier kom je op het zoekscherm en dan moet je de juiste term invoeren. Als je XB2739 typt, krijg je overzicht van alle mogelijke zoektermen die je kunt gebruiken. Dat is een handigheidje dat je even moet onthouden. Dit vind ik bijvoorbeeld een heel mooie: XB1753. Daarmee maak je een lijst met de behaalde resultaten per vak.

    ‘Daarvoor moet je eerst de code van de opleiding invoeren. Van de master sterrenkunde is het bijvoorbeeld e43-5621. Die codes moet je gewoon even uit je hoofd leren. Daarna moet je de vakcode geven, die vind je in de studiegids. Maar let even op: als het eindigt op een Y, dan is het een becijferd onderdeel van een vak, met een T op het einde is het een tentamencijfer en met een X is het een eindcijfer. Maar dat zijn we allemaal aan het veranderen, dus kijk even goed hoe het voor dit vak zit.

    ‘Daarna moet je het vakgebied invoeren, dat zou in principe BETA moeten zijn voor alle vakken in onze faculteit, maar bij oude vakken kan er ook iets anders staan. Dat moet je opzoeken in TRF. Of je leert het ook gewoon uit je hoofd, hahaha. Ten slotte vul je de periode in, dat is een getal van vier cijfers met als middelste twee cijfers het startjaar en dan als laatste cijfer een 8 voor inschrijvingen en een 9 voor resultaten.

    ‘Jullie studenten uit de specialisatie zitten natuurlijk in allerlei verschillende opleidingen, dus dan moet je dit wel nog voor elke opleiding apart doen. Of je exporteert gewoon even alle studenten en filtert daarna die van jullie eruit in Excel. Nou, daar komen jullie zelf vast wel uit.

    ‘Wat ook handig is, is dat je een groep kunt maken van studenten uit hetzelfde jaar. Dan kun je overzichten draaien voor een cohort. Dat doe je hier. O, die optie staat er helemaal niet bij jullie. Dan heb je daar geen rechten voor. Dan doe ik het wel even voor jullie. Kunnen jullie de lijst zelf hierna aanvullen via de studiecodes.

    ‘Er is trouwens ook een andere website waarmee je mooie overzichten uit het systeem kan halen. Dat heeft Henk tien jaar geleden in een zomervakantie zelf geklust toen hij nog onderwijsdirecteur bij biologie was. Hij werd helemaal gek van het systeem, hahaha. Kijk, hier kun je met een paar drukken op de knop een mooi overzicht krijgen van alle studenten. Gek dat eigenlijk niemand weet dat deze website bestaat.

    ‘Er is ergens een handleiding voor het systeem, maar die is nooit afgemaakt – en een groot deel van wat erin staat is ook alweer achterhaald. Als ik hem kan vinden, zal ik hem jullie sturen. Veel succes! Als je ergens niet uitkomt, kun je me altijd mailen.’

    De universiteit hangt aan elkaar van dit soort systemen. En we zijn nergens zonder de mensen die desondanks zorgen dat studenten hun cijfers wél op tijd krijgen.

    Deze column verscheen op 22 mei 2026 in de Volkskrant.

  • Om te vieren dat het na het Jeugdjournaal nog steeds licht was, maakte ik een kleine avondwandeling over het fietspad dat, kronkelend tussen tussen slootjes en knotwilgen, de slagader van onze wijk vormt. Op dit fietspad gaan pubers ’s morgens naar school, lopen buren nog even snel naar het winkelcentrum, leren kinderen uit de buurt fietsen, wandelen vogelaars met hun verrekijkers richting de Kagerplassen, halen echtparen in scootmobiel een frisse neus, beginnen hardlopers aan hun rondje en blokkeren zwanen regelmatig een kruispunt. Doorgaans gaan fietsers, wandelaars en zelfs fatbikers hier vreedzaam samen. Maar deze avond niet. Een haastige fietser zag me wat laat en schreeuwde: ‘Waarom loop je niet links, trut?’

    Kijk, als je mij zo’n vraag stelt, dan ga ik daarover nadenken. Waarom liep ik eigenlijk niet links? In dit geval omdat iets daarvoor, toen ik nog wel links liep, een groep voetgangers me tegemoet kwam die aan hun rechterkant en dus aan mijn linkerkant van de weg liepen. Het leek me efficiënter als ik in mijn eentje overstak dan om te wachten tot die hele groep opzij ging. Daarna was ik rechts blijven lopen, bij mezelf denkend dat het handig is als voortaan alle voetgangers op het fietspad aan dezelfde kant zouden lopen, in plaats van de ene helft links en de andere helft rechts.

    Foto door Yves Moet op Unsplash

    De fietser bleek niet oprecht geïnteresseerd in mijn antwoord, want die was al lang weer doorgejakkerd. Desondanks bleef ik nog iets langer over zijn vraag nadenken. Was er misschien een regel dat je links moest lopen? En had dat iets te maken met dat je dan fietsers op jouw weghelft zag aankomen, in plaats van dat ze je van achteren inhaalden? En zou dat dan eigenlijk een goede regel zijn? In veel bochten zie je juist niets als je links loopt.

    Stomtoevallig stuurde wijkgenoot Christa Nederstigt me een dag later een column uit het Noordhollands Dagblad waarin Henk-Jan den Ouden van leer trekt tegen voetgangers die aan de linkerkant van het fietspad lopen. Zijn belangrijkste argument: ‘Een linkslopende voetganger en een fietser naderen elkaar veel sneller. Een fietser die 18 kilometer per uur rijdt, komt met 24 kilometer per uur recht op je af (als je 6 km/u wandelt). Als je hardloopt, is het snelheidsverschil al zo’n 30 kilometer per uur.’ En andersom: ‘Als je gewoon rechts loopt, komt een fietser je met een snelheidsverschil van 12 kilometer per uur achterop. Als je hardloopt, is dat zelfs maar 6 kilometer.’ Een fietser heeft veel meer tijd om te reageren op een voetganger die rechts loopt en hoe harder de fietser gaat, hoe sterker dit argument geldt.

    Ooit was er een advies aan voetgangers om buiten de bebouwde kom aan de linkerkant te lopen, maar al sinds 1990 staat er in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens dat voetgangers op het fietspad mogen lopen als er geen trottoir of voetpad is, waarbij de kant van de weg vrijgelaten wordt. Veilig Verkeer Nederlandadviseert voetgangers om hierbij zelf te bedenken welke kant het veiligst is. En dat kan op een fietspad dus best eens de rechterkant zijn.

    Deze column verscheen op 15 mei 2026 in de Volkskrant.

  • ‘Sommige wiskundige problemen zijn als een marshmallow: een lekker hapje dat kort plezier geeft. Andere problemen zijn een eikel, waarvoor diepe en subtiele nieuwe inzichten nodig zijn en waaruit een machtige eik kan groeien.’ Dit schreef wiskundige Paul Erdös bij een lijst met wiskundige problemen waarvan hij hoopte dat het eikels waren: problemen waarvan de oplossing tot interessante nieuwe wiskunde zou leiden.

    Erdös liet bij zijn dood in 1996 honderden van dit soort problemen na in allerlei deelgebieden van de wiskunde. Een vraag uit de getaltheorie is bijvoorbeeld: is elk groot oneven getal de som van een tweedemacht en een getal dat níét deelbaar is door een kwadraat? Dit is gecontroleerd voor alle oneven getallen onder de 2^50, maar daarmee is niet bewezen dat het altijd klopt. Er zijn nog oneindig veel oneven getallen waarvoor we níét weten of het waar is.

    Sommige van de Erdös-problemen zijn opgelost, vaak na jarenlang noest werk van wiskundigen. Maar sinds begin dit jaar is er er een ongekende reeks problemen opgelost met AI, soms door mensen van buiten de wiskunde. Zoals door Liam Price die met ‘vibewiskunde’ willekeurige Erdös-problemen aan AI-systemen gaf en keek wat er gebeurde. Het interessante aan één door Price gevonden bewijs was dat er een nieuw wiskundig idee inzat.

    De Britse wiskundige Jon Sterling is niet onder de indruk van wat Price deed. Hij schreef op Mathstodon dat het bewijs zelf niet het doel van Erdös was, maar het nieuwe begrip dat nodig was om tot die oplossing te komen. Als de oplossing uit het combineren van bestaande kennis kwam, dan was het achteraf gezien geen eikel, maar een marshmallow. Al is dit mijn formulering en niet die van Sterling. Hij schreef dit: ‘Dus als je erin slaagt een Erdős-probleem op te lossen met behulp van Claude of wat dan ook, dan betekent dat geen reet, tenzij er een nieuw idee in zit en *je dat nieuwe idee kunt uitleggen*. Als je het nieuwe idee niet kunt uitleggen, dan zal degene die het uitlegt en generaliseert degene zijn die wordt beloond. In dit geval zal de sukkel die Claude bedient, worden behandeld als de appel die op Newtons hoofd viel. En terecht.’

    Hoe moet de wiskunde als vakgebied omgaan met al die nieuwe AI-bewijzen? Topwiskundige Terence Tao vergeleek het op Mathstodon met voedselschaarste. Als er weinig eten is, is iedereen die met rauwe ingrediënten aankomt een held. Maar bij voedselovervloed zit niemand te wachten op iemand die komt aansjouwen met een karkas vol onduidelijk vlees. Wie moet dat schoonmaken en klaarmaken? De helden in deze situatie zijn degenen die een zorgvuldige maaltijd bereiden.

    Tao concludeert dat wiskunde door de komst van AI van bewijzenschaarste naar bewijzenovervloed gaat. En dat er meer waardering moet komen voor de degenen die bewijzen zorgvuldig nakijken en verwerken. En idealiter helpen degenen die de bewijzen ontdekten daarbij. Tao bracht dit principe ook gelijk in de praktijk: deze week verscheen een artikel waarin hij samen met Liam Price en een groep collega’s de ideeën uit het AI-bewijs uitwerkte tot een theorie. Wat een held.

    Deze column verscheen op 8 mei 2026 in de Volkskrant.