Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Aan het front in Oekraïne rijdt tussen de vrachtwagens met munitie, vrijwilligers met medische hulpgoederen en terreinwagens vol soldaten ook een busje vol met te kraken codes, kleurrijke plastic vormen en ingewikkelde puzzels. Het zijn de medewerkers van museum Cuboid die met een draagbare wiskundetentoonstelling op weg zijn naar kinderen die niet naar school kunnen.

    Het is ongelooflijk. Terwijl het Russische leger Kyiv bestookte, begon in de Oekraïense hoofdstad een wiskundemuseum. Bij de opening, in het voorjaar van 2025, knipte president Volodymyr Zelensky met zijn vrouw Olena Zelenska een möbiusband door. Voor wie nog nooit gezien heeft wat er dan gebeurt: je maakt een möbiusband door van een strook papier één uiteinde een halve slag te draaien en daarna de twee uiteinden aan elkaar te plakken.

    Deze band is anders dan een gewone ring van papier, omdat hij geen aparte binnen- en buitenkant heeft. Je kunt dat testen door in het midden van de möbiusband een lijn te trekken over de hele lengte van het papier. En daarna kun je, net als de Zelensky’s bij de opening van Cuboid, de band doorknippen over deze lijn. Je eindigt niet met twee losse banden, maar met één lange (ik vermoed dat er bij de opening in Kyiv is gesproken over de symboliek hiervan).

    Als je de foto’s van Cuboid ziet, lijkt het net het NEMO in Amsterdam, maar dan met meer wiskunde. En met cyrillische letters. Deze zomer kreeg het museum de Simon Norton-prijs van het Europees Wiskundig Genootschap voor zijn educatieve projecten, uitgevoerd in oorlogsomstandigheden en op plekken waar leerlingen en docenten ze het hardste nodig hebben.

    Bij de prijsuitreiking laat waarnemend directeur Olena Kvachevska een video zien waarin Cuboid zichzelf voorstelt. Daarin zitten klassieke voorbeelden, bijvoorbeeld van hoe Britse wiskundigen tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse Enigma-codes kraakten. Maar dan springt de video naar het heden, met beelden van de oorlog in Oekraïne, en klinkt: ‘Educatie is de frontlijn van de toekomst, wiskunde de strategische troef voor wederopbouw.’

    Dit museum gaat over zoveel meer dan de vrolijke schoonheid van het doorknippen van een möbiusband. Kvachevska vertelt hoe moeilijk het is om het museum open te houden tijdens de oorlog. De meeste technici dienen in het leger. Het museum zit vaak zonder elektriciteit. Afgelopen winter was het buiten min 20 graden en kregen ze het museum niet warmer dan 4 graden. Toch kwamen er duizenden bezoekers en de temperatuur in het gebouw liep op door mensen die elkaar warm hielden.

    Cuboid wil meer zijn dan alleen een museum, daarom reizen medewerkers met hun draagbare tentoonstelling door het land, ook naar de frontlinie. Met hun eigen generatoren kunnen ze zelfs in schuilkelders activiteiten organiseren.

    ‘Het helpt kinderen om de moed erin te houden’, vertelt Kvachevska. ‘Natuurlijk zijn kinderen in Oekraïne niet vanzelfsprekend dol op wiskunde. Ze vinden het vaak moeilijk. Maar Cuboid laat ze spelen, laat ze iets ontdekken, laat ze zich even veilig voelen. Veel kinderen huilen als de tentoonstelling weer moet doorreizen naar de volgende plek.’

    Wiskundigen zeggen graag dat wiskunde overal is, net als zuurstof. De dappere medewerkers van Cuboid maken dat ook echt waar. Slava Ukraini!

    Deze column verscheen op 17 september 2026 in de Volkskrant.

  • Een paar uur voordat OpenAI dinsdag aankondigde dat het een beroemd wiskundig probleem had gekraakt, sprak ik over de rol van AI in de wiskunde met iemand die net als ik zijn carrière was begonnen in de wiskunde, maar al vele jaren iets anders doet.

    Hij vertelde hoe bevriende wiskundigen met wanhoop naar de huidige ontwikkelingen keken. Al die problemen waarop zij jaren hadden gestudeerd en nu loste AI ze ineens moeiteloos op. Ik wierp tegen dat ik ook wiskundigen sprak die juist zeer verheugd waren over de ontwikkelingen, bijvoorbeeld omdat AI zo goed tegenvoorbeelden kan vinden. Eén tegenvoorbeeld, waarvan je makkelijk zelf kunt controleren dat het klopt, en het hele vermoeden kan voorgoed in de prullenmand.

    Sommige wiskundigen vergelijken de huidige tijd voor hun vakgebied met de hoogtijdagen van de natuurkunde, toen doorbraak na doorbraak volgde. Al zijn er ook veel zorgen dat er met AI zoveel nieuwe wiskunde komt dat het moeilijk wordt om het kaf van het koren te scheiden. Welke bewijzen zijn echt iets waard?

    En toen kwam OpenAI dus met een bewijs voor het Navier-Stokesprobleem, een van de zeven Millenniumprijsproblemen waarop sinds 2000 een beloning van 1 miljoen dollar staat. De prijzen zijn in het leven geroepen om de wiskunde en haar problemen meer bekendheid te geven. Wiskundige Andrew Wiles zei destijds dat hij hoopte dat het spannende van de wiskundige zoektocht mensen zou inspireren.

    In 2010 was de Russische wiskundige Grigori Perelman de eerste die recht had op zo’n millenniumprijs, voor zijn bewijs van het Poincarévermoeden. Maar Perelman weigerde de prijs, verliet de wiskunde en trok zich terug uit de beschaving. En nu beweert OpenAI dus een tweede probleem te hebben opgelost. Het bewijs is nog niet gecontroleerd en het lijkt erop dat OpenAI aan de haal is gegaan met ideeën van twee (menselijke) wiskundigen. Op de een of andere manier is het allemaal niet heel inspirerend.

    Nee, dan het bewijs van Andrew Wiles voor de laatste stelling van Fermat, waaraan hij zes jaar lang werkte. Nadat hij in 1993 trots zijn bewijs aan de wereld had gepresenteerd, bleek er een fout in te zitten. Toen werkte hij er nog een heel jaar aan. In 1994 was zijn heldhaftige queeste voltooid. Zijn verhaal leidde ertoe dat ik, en vele anderen met mij, voor een wiskundestudie kozen.

    Het nieuwe bewijs van OpenAI heeft naar schatting 22,5 miljoen dollar aan rekenkracht gekost. Daarvan had je Andrew Wiles zo’n 225 jaar kunnen inhuren. Of, realistischer, dertig wiskundigen van het kaliber Andrew Wiles voor zeven jaar. Wat voor prachtige ideeën en bewijzen zou dat opleveren? En welke inspirerende verhalen? Maar ja, het gaat OpenAI natuurlijk niet om het vooruitbrengen van de wiskunde, maar om de publiciteit.

    Hoe moet het zijn om in deze tijd een beroepswiskundige te zijn? Wiskundige Hendrik Lenstra jr. werd ooit in een interview gevraagd hoe hij zich zou voelen als hij tien jaar aan een probleem werkte en een andere wiskundige met een bewijs kwam. Zijn antwoord was: ‘Blij! Het probleem is de vijand, niet die ander.’ Maar ik vermoed dat weinig wiskundigen echt blij zijn met het bewijs van OpenAI.

    Deze column verscheen op 10 september 2026 in de Volkskrant.

  • ‘Het jammerste aan dat Zomergasten is gestopt’, verzuchtte een vriendin, ‘is dat je niet meer kunt fantaseren over welke fragmenten jij zou kiezen.’ Zij wist niet dat ik, voordat wij elkaar leerden kennen, daadwerkelijk te gast was geweest. Roem is vergankelijk.

    In 2014 zocht ik wekenlang met redacteur Marijntje Denters naar de ideale fragmenten voor mijn televisie-avond. Hoe kon ik overbrengen hoe mooi en ook vrolijk wiskunde was? Wat was het beste stukje om de virtuositeit van cabaretier Kees Torn te laten zien? Welke vlog van schrijver John Green maakte het mooist duidelijk waarom hij een van mijn helden is?

    Marijntje had besloten dat ik de volgorde van mijn fragmenten niet mocht weten, omdat ik anders een soort college van drie uur zou gaan voorbereiden. Ik moest vertrouwen op haar en op presentator Wilfried de Jong. Dat deed ik. Het enige waar ik zenuwachtig over was, was dat ik live op televisie eruit zou flappen dat ik net zwanger was, terwijl nog bijna niemand dat wist.

    Het was bijzonder om in een programma te zitten waar ik zelf zoveel herinneringen aan koesterde. Als tiener keek ik samen met mijn moeder vol bewondering naar hoogleraar gezondheidsethiek Inez de Beaufort. Als student grinnikte ik toen Joost Zwagerman ongemakkelijk danste met Heleen van Royen. In 2005 keek ik met mijn kersverse verkering, die natuurkunde studeerde, drie uur lang gefascineerd naar Robbert Dijkgraaf.

    Het was nog bijzonderder om te beseffen wat ‘mijn Zomergasten’ betekende voor sommige kijkers. Een paar jaar terug vertelde iemand hoe een dierbaar familielid een echte bèta was en enorm had genoten van de uitzending. En hoe hij diezelfde nacht totaal onverwachts was overleden. En hoe zijn familie en vrienden Zomergasten hadden teruggekeken als eerbetoon aan hem. Ik was diep ontroerd.

    Omdat ik nou eenmaal mij ben, vroeg ik me even later af: is het uitzonderlijk dat iemand overlijdt na het kijken van Zomergasten? Hoeveel kijkers van die avond in 2014 zijn er eigenlijk inmiddels al overleden? In 2014 had Nederland volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek ongeveer 16.865.000 inwoners en stierven er ongeveer 143 duizend mensen per jaar, oftewel 0,85 procent van de bevolking.

    Er keken destijds ongeveer 663 duizend mensen naar Wilfried de Jong en mij. In het jaar na de uitzending overleden daarvan dan ongeveer 5.635 mensen, iets meer dan vijftien per dag. De kans is groot dat er verschillende kijkers in de nacht na de uitzending overleden. In de tussenliggende jaren groeiden de bevolking en de sterftecijfers, maar als we het houden op 5.635 mensen per jaar, dan zijn inmiddels zo’n 68 duizend van de oorspronkelijke kijkers overleden. Een stad ter grootte van Nieuwegein. Waarschijnlijk zijn het er zelfs nog wat meer, want televisiekijkers zijn geen representatieve steekproef en juist ouderen en zieken zijn oververtegenwoordigd.

    Ja, roem is vergankelijk. Ooit komt het moment dat de laatste kijker overlijdt die zich nog een aflevering van Zomergasten herinnert. Maar de troost is dat er in de tussentijd ook een heleboel nieuwe mensen geboren zullen worden. Mijn dochter die in 2014 in mijn buik zat, in zekere zin misschien wel de jongste Zomergast ooit, fantaseert nooit over het vullen van een televisie-avond. Maar zij en haar generatie gaan vast allerlei andere dingen maken om te koesteren.

    Deze column verscheen op 31 augustus 2026 in de Volkskrant.

  • Nooit kreeg ik zoveel reacties op een column als toen ik vorig jaar schreef over hoe ik al twintig jaar worstel met mijn gewicht – en hoe ik van plan was naar de huisarts te gaan voor hulp. Veel lezers stuurden ontroerende verhalen over hun persoonlijke strijd tegen de overtollige kilo’s. Anderen deelden vol trots hoe zij al jaren moeiteloos op gewicht bleven. Verrassend veel mensen vonden het onzin dat ik naar de huisarts ging, zonde van zijn en mijn tijd.

    Dat bleek niet het geval. Tot mijn verbazing concludeerde mijn huisarts dat ik helemaal geen problematisch overgewicht heb. Mijn BMI is officieel misschien net iets te hoog, maar ik zag er volgens hem prima uit, at gezond en bewoog meer dan genoeg. Hij maakte zich geen enkele zorgen over mijn gewicht als gezondheidsrisico. Maar als ik zelf toch niet blij was met die kilo’s en daar meer grip op wilde, raadde hij me een evidence-based werkende diëtist aan.

    En zo werk ik nu al maanden onder begeleiding aan mijn lichaam en vooral aan hoe ik daarnaar kijk. Mijn wens om dunner te zijn blijkt vooral voort te komen uit schoonheidsidealen. In mijn hoofd staat dun gelijk aan gezond, terwijl ik nu gezonder leef dan toen ik een graatmagere twintiger was. Inmiddels schommelt mijn gewicht en ik vind mezelf altijd mooier als ik op mijn dunst ben. Een (immer slanke) vriend reageerde verbaasd toen ik hem dit vertelde: gewicht was toch maar een van de vele variabelen van hoe je eruitzag?

    Misschien was ik te streng voor mijn lichaam. Zo kocht ik altijd alleen mooie kleding als ik op mijn lichtst was. De diëtist gaf me na onze eerste afspraak de opdracht om kleding te kopen die fijn zit bij mijn huidige lichaam. Ik paste een broek die lelijk bolde bij mijn buik. Vroeger had ik de broek teruggehangen en mezelf toegesproken dat ik eerst maar eens een paar kilo moest afvallen. Nu zei ik hardop wat ik niet mooi vond en bleek de verkoper moeiteloos een model te vinden dat wél glorieus stond.

    Daarnaast werk ik ook aan een gezonder eetpatroon: meer eten van de voedingsmiddelen waaraan mijn lijf behoefte heeft en minder tussendoor snacken. De diëtist adviseerde me bijvoorbeeld om over te stappen op gevarieerdere en voedzamere lunches dan de twee boterhammen die ik meestal nam. Sindsdien grijp ik niet meer halverwege de middag alweer naar iets hartigs. Verder helpt ze me om te begrijpen waarom ik soms iets te eten neem terwijl ik niet echt honger heb. Wil ik afleiding? Zoek ik troost? Wil ik beleefd zijn? En kan dat ook op een andere manier?

    Het gaat, zoals elke verandering, allemaal nogal langzaam: zowel het afstappen van een onrealistisch schoonheidsideaal (dank nog aan de jaren negentig waarin ik opgroeide) als het veranderen van die minder gezonde eetpatronen.

    Het was ongelooflijk lief dat veel lezers me de afgelopen maanden hierover bleven mailen: ‘Het is al een tijdje geleden dat je over je gewicht schreef. Je bent hier vast nog mee bezig. Laat je weten hoe het gaat?’ Het gaat dus goed. De komende weken loop ik vrolijk in een bikini.

    Deze column verscheen op 2 juli 2026 in de Volkskrant.