Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Hoe kijken mbo-studenten naar misleidende grafieken en welke soort correctie helpt hen het meeste? Maandag verscheen een wetenschappelijk artikel waarin ik samen met drie collega’s deze vragen beantwoord.

    In oktober 2020 verdedigde ik het onderzoeksplan achter deze studie tegenover een commissie. Een van hen vroeg of het niet wat weinig ambitieus was om slechts twee wetenschappelijke publicaties te plannen binnen een project van twee jaar. Ik antwoordde verbouwereerd dat twee jaar me eerder aan de krappe kant leek voor onze plannen. Het was maar goed dat ik destijds nog niet wist dat dit project uiteindelijk bijna zes jaar zou duren.

    Het begon in voorjaar 2020. Terwijl de wereld in lockdown ging, schreef het Leids Universiteits Fonds een lustrumsubsidie uit voor onderzoekers uit verschillende vakgebieden. Peter Burger van journalistiek en mediastudies was een expert op het gebied van het bestrijden van misinformatie met wie ik eerder misleidend gezondheidsnieuws onderzocht. Sanne Willems was een statisticus met wie ik een studie deed over het communiceren van kansen. Samen wilden we onderzoeken hoe je misleidende grafieken het beste kunt corrigeren.

    Tijdens corona wemelde het van de misleidende grafieken. We kregen de subsidie, hielden in januari 2021 (opnieuw in lockdown) online sollicitatiegesprekken met kandidaten die dit project zouden kunnen uitvoeren. In april begon Winnifred Wijnker, die een achtergrond in visuele communicatie meebracht. Het project kreeg een looptijd van ruim drie jaar, omdat Winnifred het onderzoek combineerde met andere taken. In december 2022 verscheen, keurig op schema, onze eerste studie (naar verschillende manieren voor het corrigeren van misleidende grafieken).

    Uit onze data volgde dat mensen met een praktische opleiding gevoeliger leken voor misleidende grafieken. We besloten onze tweede studie daarom te richten op jonge mbo’ers, een groep die ondervertegenwoordigd is in wetenschappelijk onderzoek (terwijl er juist veel onderzoek gedaan wordt onder universitaire studenten).

    We legden contact met mbo-docenten, wachtten op de ethische commissie en pre-registreerden onze studie. In april 2023 verzamelden we data op een aantal mbo’s. Helaas bleek een deel daarvan onbruikbaar, dus gingen we over op plan B: een organisatie inhuren die ons onderzoek onder jonge mbo’ers zou verspreiden. Die organisatie ontdekte dat het meer tijd kostte om jonge mbo’ers te bereiken dan verwacht. In oktober hadden we eindelijk de complete data. In december liep het project af. Winnifred vertrok naar de Hogeschool Utrecht. Intussen had ons project wel allerlei mooie bijvangst opgeleverd: drie verschillendelespakkettende grafiekpolitie (een website met artikelen over dubieuze grafieken in de media) en een studie met Zuid-Afrikaanse grafiekenonderzoekers.

    Alleen dat geplande tweede artikel moesten we nog afmaken, ook al werkte Winnifred elders. In april 2024 dienden we het in bij een psychologisch vaktijdschrift. Het werd zonder reviews afgewezen. We dienden het in bij een ander tijdschrift. Ook hier werd het zonder reviews afgewezen door een redacteur die niet snapte wat het mbo is. ‘Het meeste onderzoek wordt gedaan onder studenten, waarom zou het voor jullie studie uitmaken of ze een beroep hebben gekozen?’

    Poster bij het wetenschappelijk artikel Debunking misleading graphs effectively: How vocationally educated young adults perceive graphs.

    In juli 2024 stuurden we ons werk opnieuw op, deze keer naar tijdschrift Plos One. Driemaal bleek scheepsrecht, want daar werd het artikel geaccepteerd, al kostten de twee rondes peerreview uiteindelijk anderhalf jaar. Ik herhaal even: anderhalf jaar! We hebben eindeloos moeten wachten, maar toen het artikel vorige week klaar was, kregen wij 48 uur om de proeven te controleren. En zo werd het na zes jaar toch weer haasten.

    Deze column verscheen op 13 februari 2026 in de Volkskrant.

  • We zaten met onze dochter klaar voor de nieuwste aflevering van Klokhuis. ‘Benieuwd waar het vandaag over gaat’, riep ik dwars door de vrolijke begintune van dit educatieve jeugdprogramma. Maar toen we beelden zagen van een enorm rangeerterrein en presentator Nizar El Manouzi aankondigde dat hij in deze uitzending zou uitzoeken hoe ze daar goederenwagons sorteren, daalde het enthousiasme in onze woonkamer significant. Dit leek ons geen heel spannend onderwerp.

    We bleken het fout te hebben.Tijdens mijn wiskundestudie werkte ik aan allerlei rangeerproblemen. We benaderden ze met hogere wiskunde als grafentheorie, lineair programmeren of topologie. De ellende was altijd dat treinwagons niet zelfstandig kunnen rijden en dat je eindeloos heen en weer moest rijden met een locomotief om alles op de goede plek te krijgen.

    Ook in de recreatieve wiskunde duiken rangeerpuzzels geregeld op. Zo bedacht wiskundige Matthew Scroggs een paar jaar terug deze variant: een (lange) passagierstrein rijdt op een enkelspoor achter een goederentrein, bestaande uit één locomotief en drie wagons. De treinen naderen het station, waar de goederenwagons uitgeladen zullen worden. De passagierstrein wil daar niet op wachten en zou de goederentrein graag passeren. Net voor het station is er een kort stukje zijspoor, net groot genoeg voor de locomotief met één wagon of voor twee goederenwagons. De passagierstrein en de goederenlocomotief kunnen allebei wagons zowel duwen als trekken. Kan de passagierstrein de goederentrein inhalen? (Oplossing hieronder.)

    Foto door Sugden Guy sugden op Unsplash

    Ik vroeg me af welke wiskundige truc Klokhuis ging uitleggen, maar de oplossing van rangeerterrein Kijfhoek bleek briljanter dan ik had durven dromen. Ze gebruiken daar meer dan veertig verdeelsporen waarop de goederenwagons per bestemming worden gesorteerd. Die sporen liggen onder aan een kleine heuvel. De wagons worden vanaf de andere kant de heuvel opgeduwd door een locomotief. Terwijl de wagens langzaam rijden, ontkoppelt een knuppelaar wagons die naar verschillende bestemmingen moeten (dit is een mens met een knuppel als gereedschap).

    Vervolgens rollen de wagons, dankzij de onvolprezen zwaartekracht, rustig zelfstandig de heuvel af, waar een systeem van wissels en spoorremmen ze naar het juiste spoor leidt en zorgt dat ze precies op de juiste plek tot stilstand komen bij hun nieuwe trein. Daar worden ze weer netjes aangekoppeld door een aanpikker. De naam van deze techniek? Heuvelen.

    De slimheid van deze oplossing, de heerlijke woorden: dit bleek werkelijk een fantastische aflevering van Klokhuis. Het enige dat de uitzending nóg beter had kunnen maken, was een ontroerend lied waarbij goederenwagons een metafoor bleken voor het leven.

    Deze column verscheen op 6 februari 2026 in de Volkskrant.

    Oplossing: Ja, het kan. De goederenlocomotief trekt eerst één wagon het zijspoor op. Daarna duwt de passagierstrein de andere twee goederenwagons voorbij de splitsing. De locomotief duwt nu zijn wagon achteruit een flink stuk terug. Vervolgens trekt de passagierstrein de twee wagons naar achteren, voorbij de splitsing en duwt ze daarna het zijspoor op. Nu kan de passagierstrein vrij doorrijden naar het station. De locomotief haalt de twee wagons uit het zijspoor op en rijdt naar het station met twee wagens voor zich en één erachter.

  • ‘De winter leek me altijd een grote donkere heuvel, of een lange bocht in de weg voor je, en als je die eenmaal genomen hebt, gaat het daarna allemaal lekker heuvelaf.’ Deze week zat ik onder een warm dekentje met een kop thee en een oude verhalenbundel van Carys Davies. En toen ik daarin deze zin tegenkwam, dacht ik dat dit precies beschreef hoe ik de winter zag: als een lange donkere heuvel die je moeizaam moet beklimmen. En als je eenmaal voorbij de top bent, wordt daarna alles weer licht en makkelijk.

    De afgelopen jaren werd ik vanaf november steeds somberder, futlozer en moedelozer. Ik zocht de oorzaak in allerlei aspecten van mijn leven: was er iets mis met mijn baan, mijn relatie, ons huis? Was ik misschien in de overgang? Elk jaar had ik in december en januari het gevoel dat het zo niet langer kon en dat ik iets moest veranderen. En elk jaar had ik tegen de tijd dat het maart was helemaal nergens meer last van.

    Het was een collega die me er vorig jaar op wees dat er een nogal vast patroon zat in mijn somberheid, zelf had ik dat nog niet door. Ik stribbelde eerst nog tegen dat ik de afgelopen herfsten en winters nu eenmaal veel slecht nieuws en tegenslag had gekregen. Maar mijn collega merkte terecht op dat ik ook in de afgelopen lentes en zomers allerlei slecht nieuws en tegenslag had gekregen, maar dat het me toen een stuk minder uit balans bracht.

    De avond na ons gesprek las ik over winterdepressie, met in het Engels de zeer toepasselijke afkorting SAD voor seasonal affective disorder. Over hoe vrouwen er vaker last van hebben dan mannen, mensen in Florida het minder vaak krijgen dan die in Canada en mogelijke behandelingen. Fel wit kunstlicht in de ochtend leek bij veel mensen te helpen.

    Een daglichtlamp bleek maar iets van 30 euro te kosten, het proberen waard. Een veel duurder daglichtbrilletje klonk nog aantrekkelijker, deels omdat je daarmee vrij kunt rondlopen, deels omdat er een naïeve snob in me zit die denkt dat iets van ruim 200 euro beter moet helpen dan iets van 30. Maar toen wees een vriendin die ook elke winter SAD is me op een studie die de fabrikant van zo’n brilletje trots op zijn site had gezet. Volgens die studie werkte de bril geweldig. Alleen haakten er van de 25 proefpersonen maar liefst elf voortijdig af, bijvoorbeeld vanwege migraine, misselijkheid of verminderde interesse in de studie. Dat klonk toch niet zo heel aantrekkelijk.

    Uiteindelijk kocht ik een goedkope daglichtlamp en sinds begin oktober zit ik elke ochtend tijdens het ontbijt in heel fel wit licht. De eerste week viel tegen. Ik kreeg hoofdpijn en voelde me alsof ik met een jetlag rondliep. Mijn huisgenoten lachten me uit. Ik hield vol en langzaam wende het. Sterker nog, dit was mijn minst sombere, minst futloze, minst moedeloze winter in jaren. Al kan ik niet wachten tot de dagen weer echt licht en makkelijk worden en alles lekker heuvelaf gaat.

    Deze column verscheen op 30 januari 2026 in de Volkskrant.

  • Hoe goed bent u met getallen, op een schaal van 1 tot 5? En als het zes machines zes minuten kost om zes identieke poppetjes te maken, hoeveel tijd kost het dan honderd machines om honderd van die poppetjes te maken? En verandert deze tweede vraag iets aan uw antwoord op de eerste vraag?

    Britse collega’s wezen me op het deze maand verschenen rapport Number Nation, over gecijferdheid in het Verenigd Koninkrijk. Hierin brengt de liefdadigheidsorganisatie Richmond Project in kaart hoe Britten omgaan met cijfers. Ze stelden ruim achtduizend volwassenen vragen zoals de twee waarmee deze column begon.

    ‘Slechts 40 procent van de deelnemers scoort hoog op het gebied van gecijferdheid en een meerderheid van de Britten overschat hoe goed ze zijn met getallen’, luidt een van de hoofdconclusies van het rapport. Maar als iemand die, al zeg ik het zelf, nogal goed is met getallen, vraag ik me gelijk af hoe ze dit hebben gemeten.

    Het rapport dient vermoedelijk een politiek doel, het Richmond Project is opgericht door oud-premier Rishi Sunak en zijn vrouw Akshata Murty. Als premier streed Sunak voor verplichte wiskunde voor alle Britse leerlingen tot hun 18de en nu zet hij zich in voor gecijferdheid. Best sympathiek dat een oud-premier zoiets doet in plaats van voor een investeringsbank te gaan werken. Al blijkt Sunak óók voor een investeringsbank te werken.

    Leuk detail uit zijn rapport: een grafiek laat per inkomensgroep zien welk deel van de volwassenen het leuk vindt om met getallen bezig te zijn. De groep met een inkomen van minder dan 10 duizend pond per jaar scoort het slechtst: slechts 34 procent van hen heeft plezier in werken met getallen. Bij de inkomensgroep van meer dan 100 duizend pond per jaar is dat maar liefst 80 procent. ‘Omgaan met geld, tijd indelen en problemen oplossen zijn belangrijk voor de meeste volwassenen. Wat verschilt is de mate waarin mensen deze taken leuk vinden’, schrijft het rapport. Wat ze níét benoemen, is dat al die taken waarschijnlijk een stuk minder plezierig zijn als je grote geldzorgen hebt.

    Terug naar de vraag hoe ze erbij komen dat de meeste mensen zichzelf overschatten. Het rapport gebruikt een eigen schaal voor gecijferdheid, bestaande uit een combinatie van schoolcijfers (ik vermoed: door deelnemers zelfgerapporteerde schoolcijfers, een subtiel verschil) en hoe goed deelnemers scoren op een aantal wiskundige vragen in het onderzoek. Welke wiskundige vragen er zijn gebruikt, vermeldt het rapport niet. De machinevraag hierboven heb ik uit een bestaande test gehaald (het goede antwoord is overigens: zes minuten), ik vermoed dat het dit soort vragen waren.

    Vervolgens zijn die schoolcijfers en testscore op de een of andere manier gecombineerd tot vier niveaus van gecijferdheid: heel laag, laag, hoog en heel hoog. Blijkbaar bestaat er geen normale gecijferdheid, je bent óf laag óf hoog. Daarna hebben ze gekeken naar mensen die zichzelf een 4 of 5 gaven op de vraag ‘Hoe goed bent u met getallen, op een schaal van 1 tot 5?’, maar niet (heel) hoog scoorden op gecijferdheid. En van deze mensen wordt geconcludeerd dat ze zichzelf overschatten.

    Is dat terecht? Dat is onmogelijk te zeggen vanuit de data die worden gegeven. Jammer voor een organisatie die pleit voor betere omgang met cijfers. Je zou bijna denken dat de auteurs hun eigen vaardigheden om cijfers goed te gebruiken hebben overschat.

    Deze column verscheen op 23 januari 2026 in de Volkskrant.