Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Wiskundige Michel Mandjes en ik hadden afgesproken om tijdens een lunch uit te huilen over onze te volle agenda’s en het gruis dat ongemerkt onze weken vult. Een paar dagen vooraf stuurde hij me ‘om alvast in de stemming te komen’ zijn top 4 van slechtste redenen om taken op je te nemen. ‘Overbodig om te zeggen dat ze me er niet van weerhouden om die taken toch op me te nemen.’ Al mailend hadden we samen al snel een complete top tien.

    10. Dit hoort nu eenmaal bij mijn functie.

    Komt ook voor in de variant: ‘Hier kan ik de rest van mijn afdeling echt niet mee lastig vallen.’ Ironisch genoeg klagen veel medewerkers juist over het feit dat hun leidinggevende niet kan delegeren en de hele tijd alles zelf wil doen.

    9. Opdracht is opdracht.

    Je manager mailt dat ze de efficiëntie van de overlegcultuur in kaart wil brengen en of jij even een compleet overzicht wilt sturen van alle overleggen in jouw afdeling sinds 1 januari 2025. Voordat je je afvraagt of dit een zinvolle actie is, heb je al een spreadsheet geopend en zit je een hele middag alle informatie terug te zoeken. Je manager doet uiteindelijk nooit iets met jouw overzicht.

    8. Degene die het vraagt is heel teleurgesteld als ik nee zeg.

    Moet je raden wie heel teleurgesteld is als je ‘ja’ zegt? Jij! Plus alle mensen die eindeloos lang moeten wachten tot jij tijd hebt, omdat je weer eens te veel taken op je hebt genomen.

    7. Iemand anders heeft iets verpest, laat mij dat maar even fiksen.

    Herhaal duizend keer: ‘Not my circus, not my monkeys.’

    6. Deze klus past er nog net bij in mijn agenda als alles normaal loopt.

    Maar het loopt nooit normaal. Nooit. Wanneer was de laatste keer dat een project binnen de planning af was? Hoe lang is het geleden dat je een maand lang niet hoefde bij te springen voor minstens één collega die het zwaar had? Hoeveel onverwachte brandjes moet je per week blussen? Heb je eigenlijk wel opgelet bij alle columns van Japke-d. Bouma over hoe het op de werkvloer gaat?

    5. Als ik het niet doe, dan loopt alles in de soep.

    Zie ook: messiascomplex.

    4. Wat een eer dat ze mij hebben gevraagd!

    Al snel blijkt de rol met de glorieus ronkende titel waarvoor jij door de hoge bazen persoonlijk was uitgekozen in feite een oersaaie corveeklus.

    3. Als ik dit even snel zelf doe, dan kost het me de minste tijd.

    Dit is waar. Op korte termijn kost het meer tijd om aan iemand anders uit te leggen hoe het moet. Maar als een taak vaker terugkomt, dan bespaar je op lange termijn verbazingwekkend veel tijd als iemand anders het kan doen.

    2. Het is tijdens een vergadering ongemakkelijk lang stil nadat gevraagd is wie een behoorlijk bewerkelijke klus kan klaren.

    En dan ben jij de eerste sukkel die toegeeft.

    1. Ik mis allerlei kansen en leuke dingen als ik dit niet doe.

    Hierbij kan ik alleen maar Martin Bril citeren: ‘Je mist meer dan je meemaakt. Helemaal niet erg.’

    Deze column verscheen op 15 oktober 2026 in de Volkskrant.

  • Een lezersvraag veranderde hoe ik naar de wereld kijk. Letterlijk. Gerda Westinga mailde me een paar maanden terug over zelfportretten: maak je die via een spiegel of via een foto? ‘De spiegel komt dichter bij het echte leven maar is dus in spiegelbeeld. Zo zien anderen mij niet.’ Westinga vroeg zich ook af hoe schilders dit deden voordat de fotografie was uitgevonden. Als zij zichzelf via een spiegel schilderden, zijn hun zelfportretten dan in spiegelbeeld?

    Sinds Westinga me dit schreef, denk ik aan deze vraag bij elk zelfportret dat ik zie. Kijk ik naar een gespiegelde versie van de maker, zoals ze zichzelf zagen? Of zie ik hen zoals anderen hen zagen? Bij een zelfportret uit 1907 van Paula Modersohn-Becker meldt de audiogids dat Modersohn-Becker twee bloemen vasthoudt in haar linkerhand. Op het schilderij staan die bloemen rechts, dus Modersohn-Becker heeft zichzelf geschilderd zoals anderen haar zien. Waarschijnlijk heeft zij dit (overigens prachtige) portret gebaseerd op een foto. Op een zelfportret uit 1911 van Vilhelm Hammershøi is hij aan het schilderen, met zijn linkerhand. Op een informatiebordje staat dat de schilder rechtshandig is en dat Hammershøi dit zelfportret dus via een spiegel heeft gemaakt.

    Ik denk ook aan de vragen van Westinga wanneer ik een selfie maak. Op mijn telefoonscherm zie ik mezelf in spiegelbeeld, zoals mijn eigen gezicht me vertrouwd is. Maar als de foto is opgeslagen, is die omgedraaid en weer zoals andere mensen me zien. Probeer het maar eens terwijl u een stuk tekst (bijvoorbeeld deze column) naast uw gezicht houdt. De tekst op het scherm is gespiegeld terwijl u de foto maakt, maar zodra de foto is opgeslagen, staat de tekst weer goed en bent u zelf teruggespiegeld.

    Foto door Steve Gale op Unsplash

    Westinga stuurt me nog dieper in de mysteries van de spiegelwereld. Het is een klassieke wetenschapsquiz-vraag hoe het kan dat in een spiegelbeeld links en rechts verwisseld lijken (en de clou is dat een spiegel voor-en-achter omwisselt). Maar Westinga wijst me erop dat je spiegelbeeld altijd precies even groot blijft, ook als je dichterbij of verderaf van de spiegel gaat staan. Het is een eigenschap van vlakke spiegels die me nooit eerder was opgevallen: ze beelden voorwerpen af op ware grootte. Ook dit is een aanrader om zelf eens goed naar te kijken (en eventueel met een uitwisbare stift te controleren).

    Zelfportretten uit de tijd voordat de fotografie was uitgevonden, zijn toch niet altijd in spiegelbeeld gemaakt. We weten dat sommige schilders lenzen en spiegels gebruikten om een beeld van zichzelf te projecteren zodat ze dat na konden schilderen. Er zijn onderzoekers die beweren dat het mogelijk en waarschijnlijk is dat Rembrandt van Rijn deze techniek gebruikte bij zijn zelfportretten. Maar we weten het niet. Hier denk ik nu dus aan, bij alle zelfportretten waarop kunstenaars me aankijken die allang gestorven zijn. Uiteindelijk gaat een zelfportret niet om hoe je jezelf ziet, en ook niet om hoe anderen je zien. Het gaat erom hoe je wilt dat anderen je zien.

    Deze column verscheen op 8 oktober 2026 in de Volkskrant.

  • ‘Er was laatst een wiskundige in het nieuws die zich ergerde aan de pizzapunt-emoji. Hij vond dat hij er te groot uitzag voor een punt van één achtste deel, maar te klein voor één zesde deel. Toen heeft hij die emoji uitvergroot en opgemeten en toen kwam hij erachter dat die pizzapunt niet zes of acht keer, maar zeven komma vier keer in de hele pizza zou passen. Wat natuurlijk een heel raar getal is.’

    Dit heerlijke weetje las ik in het net verschenen jeugdboek De kansen van Joris Pannemans van David Vlietstra. De 11-jarige Joris uit de titel kan heel goed rekenen, zo goed dat hij volwassenen helpt met vragen over kansen en statistiek, zoals: wat is de kans dat mevrouw Kolmogorov vier weken achter elkaar wint bij de bingoavond? Of: hoe kunnen Blaise en Pascal op een ludieke manier sommige gasten in hun restaurant korting geven?

    Meer nog dan over rekenen gaat dit boek over vriendschap. Joris heeft aan het begin van het verhaal één vriend, Riemer, die niet van rekenen houdt, maar die Joris desondanks enthousiast helpt bij zijn rekenavonturen. Dan komt er een nieuw meisje in hun klas: Marley, die net zo van rekenen houdt als Joris. Hoe moet dat nu met Riemer? Een vraag die moeilijker is dan de sommen met vazen vol rode en witte ballen die Joris zo graag oplost.

    Joris vertelt Marley over de pizzapunt-emoji bij een van hun eerste ontmoetingen. Nadat ik het boek had uitgelezen, pakte ik mijn telefoon erbij om die emoji eens goed te bekijken. Het is inderdaad een merkwaardig puntje.

    Ik vroeg in een discussiegroep vol wiskundigen of zij de klacht over de emoji kenden. Niemand had er ooit op gelet, maar ze controleerden het gelijk. De hoek van de pizzapunt is ongeveer 48,7 graden. Met 360 graden van de hele pizza gedeeld door 48,7 graden per punt kom je inderdaad op 7,4 van zulke pizzapunten in één pizza. Wat was dit voor waanzin? Iemand opperde nog vergoelijkend dat bij zelfgesneden pizza’s de punten nooit allemaal even groot zijn. Maar dat is geen excuus voor deze rare emoji. Waarom hadden we dit nog nooit gezien?

    Zou David Vlietstra dit misschien zelf ontdekt hebben? Hij heeft op zich een wonderlijk brein. Hij maakte bijvoorbeeld een fruitdispenser zodat fruit niet meer zo rommelig door elkaar ligt op de schaal. En nog heerlijker: hij maakte een alfabetkassabon met 26 producten van AFWASBORSTEL tot ZEEZOUTBOTER.

    Toevallig mocht ik laatst op Boekfest David Vlietstra interviewen, samen met Milouska Meulens, die dit jaar het Kinderboekenweekgeschenk schreef. In de coulissen vroeg ik Vlietstra naar het pizzapunt-weetje. Hij bleek het ooit gezien te hebben bij programmeur Chris Espinosa (die, bonus-weetje, als 14-jarige de achtste medewerker in dienst van Apple werd en daar nu nog steeds werkt).

    Weer thuis legde ik mijn gesigneerde exemplaar van De kansen van Joris Pannemans op de eettafel. De volgende ochtend was het weg. Mijn dochter was erin begonnen en had het meegenomen naar school om verder te lezen. Die avond lag het bij haar in bed. De dag erna was het uit. Ik heb al vaker bepleit dat het een goed idee is om als volwassene jeugdboeken te lezen. En het is een nog beter idee om ze rond te laten slingeren in de buurt van kinderen.

    Deze column verscheen op 1 oktober 2026 in de Volkskrant.

  • Taal en wiskunde

    Waarom houden zoveel bèta’s van taal, terwijl zoveel alfa’s juist een hekel hebben aan wiskunde? Taal en wiskunde zijn allebei systemen met regels, randvoorwaarden en uitzonderingen. Allebei helpen ze mensen om een abstracte wereld te begrijpen en te delen met elkaar.

    Natuurlijk zijn er cruciale verschillen. Taal verandert door hoe mensen haar gebruiken. Als lang genoeg mensen iets ‘fout’ schrijven, dan wordt dat op een gegeven moment ‘de correcte spelling’, (hoeveel lezers ook boze mails daarover naar de redactie sturen). Bij wiskunde is er geen sprake van zulke flexibiliteit. Het maakt niet uit hoeveel mensen zeggen dat negen een priem is (een getal dat alleen deelbaar is door één en zichzelf), dat blijft onwaar omdat negen nu eenmaal drie keer drie is.

    In de Franse beweging Oulipo maakten schrijvers nieuwe literatuur door zichzelf wiskundige spelregels op te leggen. Ze maakten romans zonder de e, gedichten die de reeks van Fibonacci volgen en teksten waarin elk zelfstandig naamwoord is vervangen door het vorige in het woordenboek. Van de laatste vorm dacht ik altijd dat die te flauw was, tot Jan Beuving het deed in een hoofdstuk voor een boek dat we samen maakten en ik de slappe lach kreeg. Wacht, ik demonstreer het even met deze column tot nu toe.

    Foto door Joshua Hoehne op Unsplash

    Taakverdeling en wishful thinking

    Waarom houden zoveel bestuurders van taakverdeling, terwijl zoveel alexandrijnen juist een hek hebben aan wishful thinking? Taakverdeling en wishful thinking zijn allebei synthesizers met regeerakkoorden, Randstedelingen en uitzichten. Allebei helpen ze menotten om een abstracte wenteltrap te begrijpen en te delen met elkaar.

    Natuurlijk zijn er cruciale verschijnselen. Taakverdeling verandert door hoe menotten haar gebruiken. Als lang genoeg menotten iets ‘fout’ schrijven, dan wordt dat op een gegeven molton ‘de correcte spelleider’, (hoeveel leverworsten ook boze maidenspeeches daarover naar de recycling sturen). Bij wishful thinking is er geen spraakwaterval van zulke Flevolanders. Het maakt niet uit hoeveel menotten zeggen dat negen een prieel is (een gesticht dat alleen deelbaar is door één en zichzelf), dat blijft onwaar omdat negen nu eenmaal drie keeper drie is.

    In de Franse beweegreden Oulipo maakten schrijnen nieuwe liters door zichzelf wiskundige spelonken op te leggen. Ze maakten Roma’s zonder de dystrofie, gedetineerden die de reebok van Fibonacci volgen en tekortkomingen waarin elk zelfstandig naambordje is vervangen door het vorige in het woord. Van de laatste vorkheftruck dacht ik altijd dat die te flauw was, tot Jan Beuving het deed in een hoofdstad voor een boegbeeld dat we samen maakten en ik de slappe labrador kreeg. Wacht, ik demonstreer het even met deze coltrui tot nu toe.

    ***

    Het mooie is dat deze spielerei nieuwe vragen oplevert. De verschoven tekst neemt meer ruimte in dan het origineel, omdat bij de meeste zelfstandige naamwoorden hun voorgangers in het woordenboek langer bleken. Is dat specifiek voor deze tekst? Of is het een algemener verschijnsel? En hoe is het als je juist naar het volgende woord in het woordenboek zou gaan? En wat zegt dit over de lengte van woorden die we gebruiken in teksten versus de woorden die in het woordenboek staan? Voor de antwoorden heb je taal én wiskunde nodig.

    Deze column verscheen op 24 september 2026 in de Volkskrant.