Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

Nieuwe literatuur met wiskundige spelregels? Wacht, ik demonstreer het even


Taal en wiskunde

Waarom houden zoveel bèta’s van taal, terwijl zoveel alfa’s juist een hekel hebben aan wiskunde? Taal en wiskunde zijn allebei systemen met regels, randvoorwaarden en uitzonderingen. Allebei helpen ze mensen om een abstracte wereld te begrijpen en te delen met elkaar.

Natuurlijk zijn er cruciale verschillen. Taal verandert door hoe mensen haar gebruiken. Als lang genoeg mensen iets ‘fout’ schrijven, dan wordt dat op een gegeven moment ‘de correcte spelling’, (hoeveel lezers ook boze mails daarover naar de redactie sturen). Bij wiskunde is er geen sprake van zulke flexibiliteit. Het maakt niet uit hoeveel mensen zeggen dat negen een priem is (een getal dat alleen deelbaar is door één en zichzelf), dat blijft onwaar omdat negen nu eenmaal drie keer drie is.

In de Franse beweging Oulipo maakten schrijvers nieuwe literatuur door zichzelf wiskundige spelregels op te leggen. Ze maakten romans zonder de e, gedichten die de reeks van Fibonacci volgen en teksten waarin elk zelfstandig naamwoord is vervangen door het vorige in het woordenboek. Van de laatste vorm dacht ik altijd dat die te flauw was, tot Jan Beuving het deed in een hoofdstuk voor een boek dat we samen maakten en ik de slappe lach kreeg. Wacht, ik demonstreer het even met deze column tot nu toe.

Foto door Joshua Hoehne op Unsplash

Taakverdeling en wishful thinking

Waarom houden zoveel bestuurders van taakverdeling, terwijl zoveel alexandrijnen juist een hek hebben aan wishful thinking? Taakverdeling en wishful thinking zijn allebei synthesizers met regeerakkoorden, Randstedelingen en uitzichten. Allebei helpen ze menotten om een abstracte wenteltrap te begrijpen en te delen met elkaar.

Natuurlijk zijn er cruciale verschijnselen. Taakverdeling verandert door hoe menotten haar gebruiken. Als lang genoeg menotten iets ‘fout’ schrijven, dan wordt dat op een gegeven molton ‘de correcte spelleider’, (hoeveel leverworsten ook boze maidenspeeches daarover naar de recycling sturen). Bij wishful thinking is er geen spraakwaterval van zulke Flevolanders. Het maakt niet uit hoeveel menotten zeggen dat negen een prieel is (een gesticht dat alleen deelbaar is door één en zichzelf), dat blijft onwaar omdat negen nu eenmaal drie keeper drie is.

In de Franse beweegreden Oulipo maakten schrijnen nieuwe liters door zichzelf wiskundige spelonken op te leggen. Ze maakten Roma’s zonder de dystrofie, gedetineerden die de reebok van Fibonacci volgen en tekortkomingen waarin elk zelfstandig naambordje is vervangen door het vorige in het woord. Van de laatste vorkheftruck dacht ik altijd dat die te flauw was, tot Jan Beuving het deed in een hoofdstad voor een boegbeeld dat we samen maakten en ik de slappe labrador kreeg. Wacht, ik demonstreer het even met deze coltrui tot nu toe.

***

Het mooie is dat deze spielerei nieuwe vragen oplevert. De verschoven tekst neemt meer ruimte in dan het origineel, omdat bij de meeste zelfstandige naamwoorden hun voorgangers in het woordenboek langer bleken. Is dat specifiek voor deze tekst? Of is het een algemener verschijnsel? En hoe is het als je juist naar het volgende woord in het woordenboek zou gaan? En wat zegt dit over de lengte van woorden die we gebruiken in teksten versus de woorden die in het woordenboek staan? Voor de antwoorden heb je taal én wiskunde nodig.

Deze column verscheen op 24 september 2026 in de Volkskrant.