Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

  • Ik was een paar dagen gevloerd door de griep. Nadat de koorts was gezakt, kroop ik onder mijn dekentje vandaan en opende voorzichtig mijn inbox. Daar trof ik, hoe toepasselijk, een vraag over de griepepidemie. Lezer Simone Thewissen had op nu.nl gelezen ‘dat de grenswaarde waarboven wordt gesproken van een griepepidemie elk jaar opnieuw wordt vastgesteld’. Zij had hier veel vragen bij: ‘Hoe kan dat? Als je een definitie hebt, ligt die toch vast? Waarom is de grenswaarde niet constant?’

    Dit jaar is de grenswaarde voor een griepepidemie bereikt als twee weken achter elkaar 46 van 100.000 mensen zich met griepklachten melden bij een huisarts. Vorig jaar was dat 53, in de winter van 2020-2021 nog 58 en in 2017-2018 was het 51 op de 100.000 mensen.

    Het RIVM heeft een pagina met de heerlijke titel ‘Actualiteiten over griep waar elke woensdag de nieuwste griepcijfers verschijnen. Zo bezochten vorige week 59 op de 100.000 mensen de huisarts met griepachtige klachten en de week ervoor waren dat er 51 op de 100.000. Daarmee zaten we twee weken boven de grenswaarde van dit jaar (die was 46) en dus was er nu sprake van een griepepidemie. Daar had ik deel van uitgemaakt!

    De pagina bevat nog veel meer achtergrondinformatie: bijvoorbeeld over hoe vaak het griepvirus was aangetoond in keel-en-neusmonsters, allerlei definities en grafiekjes met het verloop van griepmeldingen. Ook bij onderzoeksinstituut Nivel, dat de griepcijfers levert, staat een schat aan informatie en cijfers. Zo duurde de langste gemeten griepepidemie maar liefst 21 weken, dat was tijdens de winter van 2014-2015 (technisch gezien duurde die epidemie dus langer dan die winter). Maar wat ik nergens kan vinden, is waarom die grenswaarde elk jaar anders is.

    De volgende dag vraag ik tijdens een werklunch aan een collega van het LUMC of zij dat misschien weet. Het is niet haar vakgebied, maar ze gooit mijn vraag in een overleggroep met collega’s. Binnen tien minuten heb ik dankzij huisarts-onderzoeker Hanneke Borgdorff een document van het Nivel dat uitlegt hoe de grenswaarden tot stand komen.

    En dan valt het kwartje: de grenswaarde is voor ‘griepachtige klachten gemeld bij de huisarts’ en dat aantal kan op allerlei manieren verschillen van het aantal daadwerkelijke griepgevallen. Zo worden lang niet alle grieppatiënten geregistreerd. Ik denk dat ik vorige week griep had, maar ik heb me niet gemeld bij een huisarts. Andersom kunnen zich ook patiënten met griepachtige klachten bij een huisarts melden, die helemaal géén griep hebben, maar ziek zijn geworden van iets anders. Daarom wordt bij een deel van de patiënten monsters afgenomen om te testen welke griepvirussen er rondgaan.

    Griepvirussen hebben elk jaar andere eigenschappen: soms maken ze mensen zieker en dan zullen meer van de mensen die griep krijgen zich melden bij de huisarts. Maar er kunnen ook juist relatief veel andere virussen rondgaan (ik noem geen voorbeelden, maar klop even af op ongeverfd hout dat we nog eens een pandemie krijgen). Borgdorff legt uit dat de grenswaarde bepaald wordt aan de hand van de gegevens van de afgelopen jaren: ‘Dus als de grenswaarde dit jaar laag is, zegt dat iets over de griepepidemie van afgelopen jaren, en niet zozeer over deze epidemie.’

    Kortom: de grenswaarde moet elk jaar anders zijn, om te zorgen dat de gemelde griepklachten zich vertalen naar hetzelfde geschatte niveau van echte griepgevallen.

    Deze column verscheen op 20 februari 2026 in de Volkskrant.

  • Hoe kijken mbo-studenten naar misleidende grafieken en welke soort correctie helpt hen het meeste? Maandag verscheen een wetenschappelijk artikel waarin ik samen met drie collega’s deze vragen beantwoord.

    In oktober 2020 verdedigde ik het onderzoeksplan achter deze studie tegenover een commissie. Een van hen vroeg of het niet wat weinig ambitieus was om slechts twee wetenschappelijke publicaties te plannen binnen een project van twee jaar. Ik antwoordde verbouwereerd dat twee jaar me eerder aan de krappe kant leek voor onze plannen. Het was maar goed dat ik destijds nog niet wist dat dit project uiteindelijk bijna zes jaar zou duren.

    Het begon in voorjaar 2020. Terwijl de wereld in lockdown ging, schreef het Leids Universiteits Fonds een lustrumsubsidie uit voor onderzoekers uit verschillende vakgebieden. Peter Burger van journalistiek en mediastudies was een expert op het gebied van het bestrijden van misinformatie met wie ik eerder misleidend gezondheidsnieuws onderzocht. Sanne Willems was een statisticus met wie ik een studie deed over het communiceren van kansen. Samen wilden we onderzoeken hoe je misleidende grafieken het beste kunt corrigeren.

    Tijdens corona wemelde het van de misleidende grafieken. We kregen de subsidie, hielden in januari 2021 (opnieuw in lockdown) online sollicitatiegesprekken met kandidaten die dit project zouden kunnen uitvoeren. In april begon Winnifred Wijnker, die een achtergrond in visuele communicatie meebracht. Het project kreeg een looptijd van ruim drie jaar, omdat Winnifred het onderzoek combineerde met andere taken. In december 2022 verscheen, keurig op schema, onze eerste studie (naar verschillende manieren voor het corrigeren van misleidende grafieken).

    Uit onze data volgde dat mensen met een praktische opleiding gevoeliger leken voor misleidende grafieken. We besloten onze tweede studie daarom te richten op jonge mbo’ers, een groep die ondervertegenwoordigd is in wetenschappelijk onderzoek (terwijl er juist veel onderzoek gedaan wordt onder universitaire studenten).

    We legden contact met mbo-docenten, wachtten op de ethische commissie en pre-registreerden onze studie. In april 2023 verzamelden we data op een aantal mbo’s. Helaas bleek een deel daarvan onbruikbaar, dus gingen we over op plan B: een organisatie inhuren die ons onderzoek onder jonge mbo’ers zou verspreiden. Die organisatie ontdekte dat het meer tijd kostte om jonge mbo’ers te bereiken dan verwacht. In oktober hadden we eindelijk de complete data. In december liep het project af. Winnifred vertrok naar de Hogeschool Utrecht. Intussen had ons project wel allerlei mooie bijvangst opgeleverd: drie verschillendelespakkettende grafiekpolitie (een website met artikelen over dubieuze grafieken in de media) en een studie met Zuid-Afrikaanse grafiekenonderzoekers.

    Alleen dat geplande tweede artikel moesten we nog afmaken, ook al werkte Winnifred elders. In april 2024 dienden we het in bij een psychologisch vaktijdschrift. Het werd zonder reviews afgewezen. We dienden het in bij een ander tijdschrift. Ook hier werd het zonder reviews afgewezen door een redacteur die niet snapte wat het mbo is. ‘Het meeste onderzoek wordt gedaan onder studenten, waarom zou het voor jullie studie uitmaken of ze een beroep hebben gekozen?’

    Poster bij het wetenschappelijk artikel Debunking misleading graphs effectively: How vocationally educated young adults perceive graphs.

    In juli 2024 stuurden we ons werk opnieuw op, deze keer naar tijdschrift Plos One. Driemaal bleek scheepsrecht, want daar werd het artikel geaccepteerd, al kostten de twee rondes peerreview uiteindelijk anderhalf jaar. Ik herhaal even: anderhalf jaar! We hebben eindeloos moeten wachten, maar toen het artikel vorige week klaar was, kregen wij 48 uur om de proeven te controleren. En zo werd het na zes jaar toch weer haasten.

    Deze column verscheen op 13 februari 2026 in de Volkskrant.

  • We zaten met onze dochter klaar voor de nieuwste aflevering van Klokhuis. ‘Benieuwd waar het vandaag over gaat’, riep ik dwars door de vrolijke begintune van dit educatieve jeugdprogramma. Maar toen we beelden zagen van een enorm rangeerterrein en presentator Nizar El Manouzi aankondigde dat hij in deze uitzending zou uitzoeken hoe ze daar goederenwagons sorteren, daalde het enthousiasme in onze woonkamer significant. Dit leek ons geen heel spannend onderwerp.

    We bleken het fout te hebben.Tijdens mijn wiskundestudie werkte ik aan allerlei rangeerproblemen. We benaderden ze met hogere wiskunde als grafentheorie, lineair programmeren of topologie. De ellende was altijd dat treinwagons niet zelfstandig kunnen rijden en dat je eindeloos heen en weer moest rijden met een locomotief om alles op de goede plek te krijgen.

    Ook in de recreatieve wiskunde duiken rangeerpuzzels geregeld op. Zo bedacht wiskundige Matthew Scroggs een paar jaar terug deze variant: een (lange) passagierstrein rijdt op een enkelspoor achter een goederentrein, bestaande uit één locomotief en drie wagons. De treinen naderen het station, waar de goederenwagons uitgeladen zullen worden. De passagierstrein wil daar niet op wachten en zou de goederentrein graag passeren. Net voor het station is er een kort stukje zijspoor, net groot genoeg voor de locomotief met één wagon of voor twee goederenwagons. De passagierstrein en de goederenlocomotief kunnen allebei wagons zowel duwen als trekken. Kan de passagierstrein de goederentrein inhalen? (Oplossing hieronder.)

    Foto door Sugden Guy sugden op Unsplash

    Ik vroeg me af welke wiskundige truc Klokhuis ging uitleggen, maar de oplossing van rangeerterrein Kijfhoek bleek briljanter dan ik had durven dromen. Ze gebruiken daar meer dan veertig verdeelsporen waarop de goederenwagons per bestemming worden gesorteerd. Die sporen liggen onder aan een kleine heuvel. De wagons worden vanaf de andere kant de heuvel opgeduwd door een locomotief. Terwijl de wagens langzaam rijden, ontkoppelt een knuppelaar wagons die naar verschillende bestemmingen moeten (dit is een mens met een knuppel als gereedschap).

    Vervolgens rollen de wagons, dankzij de onvolprezen zwaartekracht, rustig zelfstandig de heuvel af, waar een systeem van wissels en spoorremmen ze naar het juiste spoor leidt en zorgt dat ze precies op de juiste plek tot stilstand komen bij hun nieuwe trein. Daar worden ze weer netjes aangekoppeld door een aanpikker. De naam van deze techniek? Heuvelen.

    De slimheid van deze oplossing, de heerlijke woorden: dit bleek werkelijk een fantastische aflevering van Klokhuis. Het enige dat de uitzending nóg beter had kunnen maken, was een ontroerend lied waarbij goederenwagons een metafoor bleken voor het leven.

    Deze column verscheen op 6 februari 2026 in de Volkskrant.

    Oplossing: Ja, het kan. De goederenlocomotief trekt eerst één wagon het zijspoor op. Daarna duwt de passagierstrein de andere twee goederenwagons voorbij de splitsing. De locomotief duwt nu zijn wagon achteruit een flink stuk terug. Vervolgens trekt de passagierstrein de twee wagons naar achteren, voorbij de splitsing en duwt ze daarna het zijspoor op. Nu kan de passagierstrein vrij doorrijden naar het station. De locomotief haalt de twee wagons uit het zijspoor op en rijdt naar het station met twee wagens voor zich en één erachter.

  • ‘De winter leek me altijd een grote donkere heuvel, of een lange bocht in de weg voor je, en als je die eenmaal genomen hebt, gaat het daarna allemaal lekker heuvelaf.’ Deze week zat ik onder een warm dekentje met een kop thee en een oude verhalenbundel van Carys Davies. En toen ik daarin deze zin tegenkwam, dacht ik dat dit precies beschreef hoe ik de winter zag: als een lange donkere heuvel die je moeizaam moet beklimmen. En als je eenmaal voorbij de top bent, wordt daarna alles weer licht en makkelijk.

    De afgelopen jaren werd ik vanaf november steeds somberder, futlozer en moedelozer. Ik zocht de oorzaak in allerlei aspecten van mijn leven: was er iets mis met mijn baan, mijn relatie, ons huis? Was ik misschien in de overgang? Elk jaar had ik in december en januari het gevoel dat het zo niet langer kon en dat ik iets moest veranderen. En elk jaar had ik tegen de tijd dat het maart was helemaal nergens meer last van.

    Het was een collega die me er vorig jaar op wees dat er een nogal vast patroon zat in mijn somberheid, zelf had ik dat nog niet door. Ik stribbelde eerst nog tegen dat ik de afgelopen herfsten en winters nu eenmaal veel slecht nieuws en tegenslag had gekregen. Maar mijn collega merkte terecht op dat ik ook in de afgelopen lentes en zomers allerlei slecht nieuws en tegenslag had gekregen, maar dat het me toen een stuk minder uit balans bracht.

    De avond na ons gesprek las ik over winterdepressie, met in het Engels de zeer toepasselijke afkorting SAD voor seasonal affective disorder. Over hoe vrouwen er vaker last van hebben dan mannen, mensen in Florida het minder vaak krijgen dan die in Canada en mogelijke behandelingen. Fel wit kunstlicht in de ochtend leek bij veel mensen te helpen.

    Een daglichtlamp bleek maar iets van 30 euro te kosten, het proberen waard. Een veel duurder daglichtbrilletje klonk nog aantrekkelijker, deels omdat je daarmee vrij kunt rondlopen, deels omdat er een naïeve snob in me zit die denkt dat iets van ruim 200 euro beter moet helpen dan iets van 30. Maar toen wees een vriendin die ook elke winter SAD is me op een studie die de fabrikant van zo’n brilletje trots op zijn site had gezet. Volgens die studie werkte de bril geweldig. Alleen haakten er van de 25 proefpersonen maar liefst elf voortijdig af, bijvoorbeeld vanwege migraine, misselijkheid of verminderde interesse in de studie. Dat klonk toch niet zo heel aantrekkelijk.

    Uiteindelijk kocht ik een goedkope daglichtlamp en sinds begin oktober zit ik elke ochtend tijdens het ontbijt in heel fel wit licht. De eerste week viel tegen. Ik kreeg hoofdpijn en voelde me alsof ik met een jetlag rondliep. Mijn huisgenoten lachten me uit. Ik hield vol en langzaam wende het. Sterker nog, dit was mijn minst sombere, minst futloze, minst moedeloze winter in jaren. Al kan ik niet wachten tot de dagen weer echt licht en makkelijk worden en alles lekker heuvelaf gaat.

    Deze column verscheen op 30 januari 2026 in de Volkskrant.