Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

De boer gaf voor de zekerheid elke ochtend dezelfde antibioticapil aan zijn kippen, varkens en kinderen


‘In Nederland weten jullie níéts over antibioticaresistentie.’ De Zuid-Afrikaanse arts zegt het vriendelijk tegen mij en twee Nederlandse collega’s. We zijn in Zuid-Afrika voor een workshop over communicatie rondom antibiotica die we organiseren in een samenwerking tussen de universiteiten van Leiden en Stellenbosch.

Antibioticaresistentie is een groeiend probleem, maar de voorspelde tien miljoen doden in 2050 zijn nogal abstract. Wat moet iemand met zo’n getal? De meeste mensen denken dat zij zelf nooit te maken zullen krijgen met resistentie. Hoe maak je duidelijk dat antibioticaresistentie een gevaar is voor iedereen en dat er nu iets moet gebeuren?

De Zuid-Afrikaanse communicatieonderzoeker Marina Joubert presenteerde een paar jaar geleden op een congres haar vernietigende kritiek op bestaande communicatiecampagnes. Ze zijn vaag, zitten vol angstaanjagende beelden en verergeren bestaande stigma’s. Ze gaan alleen over medicijnen voor mensen, terwijl ook landbouw een belangrijke bron van resistentie is. De campagnes negeren bovendien dat juist arme bevolkingsgroepen harder worden getroffen.

De oproepen zijn doorgaans gericht aan individuen die nauwelijks macht hebben om iets aan het systeem te veranderen. Ik zat destijds in de zaal, was diep onder de indruk, verdiepte me daarna in het onderwerp en deze maand waren we met een kleine Nederlandse delegatie bij Joubert en haar collega’s om van hen te leren.De eerste dagen zijn we in Stellenbosch en praten we met allerlei onderzoekers. We horen over een boer die ‘voor de zekerheid elke ochtend dezelfde antibioticapil geeft aan zijn kippen, varkens en kinderen’.

Hij heeft geen idee waar die pillen eigenlijk voor bedoeld zijn. Niet gek, want in veel dorpen kan de veearts slechts eens per kwartaal langskomen en die deelt dan maar wat antibiotica uit die de boeren vervolgens naar eigen inzicht moeten gebruiken. Samen met tientallen Zuid-Afrikaanse onderzoekers formuleren we de belangrijkste communicatie-onderzoeksvragen rondom antibioticaresistentie.

Stellenbosch is een overwegend wit universiteitsstadje en we merkten vooral dat we aan de andere kant van de wereld zijn doordat de sterren anders zijn en makelaars in hun etalages huizen aanbieden ‘met een gunstige ligging op het noorden’. De vierde dag gaan we naar Kaapstad om onze mogelijke onderzoeksvragen voor te leggen aan praktijkexperts: medewerkers van gezondheidsklinieken en organisaties die in de townships werken.

Op weg naar hen rijden we langs de eindeloze gammele golfplaten hutten die hun werkterrein vormen. Onze Zuid-Afrikaanse medeorganisator Zani de Wit kent al deze praktijkexperts en het is duidelijk dat ze haar vertrouwen. Tegen ons zijn ze beleefd, maar duidelijk. Het zou heel goed zijn als wetenschappers beter begrijpen wat verschillende bevolkingsgroepen wel en vooral niet weten over antibiotica. En ze willen heel graag leren hoe je kunt communiceren over dit onderwerp zonder stigma’s op bijvoorbeeld tuberculose te vergroten.

Onze vraag over hoe antibioticaresistentie in (sociale) media komt, vinden ze wat minder relevant. Ze hebben zelf wel dringendere vragen: hoe kun je mensen vragen om hun antibioticakuur op een goede manier in te nemen als ze honger hebben? Als ze niet eens één maaltijd per dag hebben? Als ze dagen moeten wachten in het ziekenhuis voor ze een dokter kunnen zien? Als de medicijnen die ze nodig hebben niet beschikbaar zijn en de dokter ze dan maar iets anders meegeeft?

En dan besef ik dat we in Nederland inderdaad níéts weten. Maar daar wordt aan gewerkt.

Deze column verscheen op 22 oktober 2026 in de Volkskrant.