Categorie: Volkskrant

Gelijkheidsprincipe (columnistenmarathon 2022)

De Volkskrant vroeg alle columnisten een column van tweehonderd woorden te schrijven over het thema ‘democratie’. Alle columns zijn hier te vinden. Ionica haar bijdrage leest u hieronder:

Bij een voorgaande columnistenmarathon had ik een meningsverschilletje met de eindredactie. Mijn column was langer dan de voorgeschreven tweehonderd woorden – en dat mocht niet. ‘Past hij daadwerkelijk niet?’, informeerde ik bij de dienstdoende eindredacteur. Ik wist namelijk dat ik gemiddeld kortere woorden gebruik dan talloze collega’s, zeker omdat ik veelvuldig priemgetallen en cijfercombinaties opsom. Zowel ‘7’, ‘arbeidsongeschiktheidsverzekering’ als ‘meervoudigepersoonlijkheidsstoornis’ tellen als één woord. Mijn tegenargumenten werden gediskwalificeerd: ‘Alle columnisten zijn gelijk en hebben recht op tweehonderd woorden.’

Deze controlemaniak kortte mijn columnistenmarathoncolumn genadeloos in. Vervolgens verscheen die naast een column van tweehonderd woorden die anderhalf keer zo lang was als mijn verhandelingetje. Ik wenste mijn breedsprakige collega en zijn ellenlange, opgezwollen, bombastische woorden een enkele reis richting Gasselterboerveenschemond. (Ik wilde eerst Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch schrijven, maar ik moet deze column ook hardop voordragen bij de columnistenmarathon.)

Ook oneerlijk: Aaf Brandt Corstius en Sander Schimmelpenninck pakken met hun namen veel meer ruimte dan Eva Hoeke en Joost Zaat. Tijd voor represaillemaatregelen! Bij deze gelegenheidscolumn buitte ik mijn tweehonderd woorden superpietepeuterig uit met een bovengemiddelde hoeveelheid zeslettergrepige samenstellingen.

Zo gaat het ook in een democratie. Gelijkheidsprincipes zijn prachtig, maar als je iedereen dezelfde rechten geeft, betekent dat nog niet dat iedereen ook hetzelfde krijgt.

‘Wist je dat het allemaal enorm meevalt met de gevolgen van alcohol in het verkeer?’

‘Het is echt belachelijk dat je niet mag autorijden als je een paar wijntjes ophebt. Waar bemoeit de overheid zich mee? Het is mijn leven en mijn auto en ik kan zelf heus wel inschatten of ik nog goed genoeg kan rijden.

Ja ja, er zijn inderdaad ook andere mensen op de weg. Maar goed, als je niet op tijd kunt wegkomen als ik eens een klein beetje uit mijn baan rijdt, ja, dan vraag je ook wel een beetje om. Dan moet je ook maar niet gaan fietsen als je zo kwetsbaar bent. Zo iemand had net zo makkelijk zelf in een sloot kunnen rijden. Wie zegt dan dat het mijn fout is?

Wist je dat het allemaal enorm meevalt met de gevolgen van alcohol in het verkeer? Hooguit 23% van de dodelijke slachtoffers zou door alcohol in het verkeer komen. Nou, dat is een lager percentage dan van de limoncello die ik net nog had, ha. Doe mij er trouwens nog maar één.

Verreweg de meeste doden in het verkeer vallen dus zonder dat er iemand te veel alcohol op heeft. Bij 77% van de slachtoffers heeft er helemaal niemand iets gedronken. Eigenlijk is het dus veel gevaarlijker om zoals jij cola te drinken en dan te gaan rijden. Ik las laatst nog dat alcohol je scherper maakt, dat zal het zijn.

Wat zeg je? Oh, jij denkt dat dit een slechte vergelijking is omdat minder dan 23% van de bestuurders dronken achter het stuur zit? Nou, spreek voor jezelf, hahaha. Wat mompel je nu? Heeft het SWOV berekend dat een automobilist bij een bloedalcoholgehalte van 1,5 ‰ een twintig keer zo hoog risico op een ongeval heeft? Wat een grappig woord is dat: SWOV, SWOVVVV, SWOVVVVVV. Maar goed, wie zijn die lui van dat ‘nationaal wetenschappelijk instituut voor verkeersveiligheidsonderzoek’? Waarom geloof jij die zomaar? Wie betaalt hen?

Trouwens, ik lees ook allerlei wetenschappelijke studies. Zo las ik laatst dat ik helemaal niet in een risicogroep val, want mensen van mijn leeftijd hebben juist minder vaak ongevallen. Daar heb je niet van terug hè? Daarbij drink ik alleen maar natuurlijke producten en die zijn hartstikke goed voor je, dat is ook bewezen. Bier komt van hop, wijn van druiven, limoncello van limoenen. Ik ben hier heel gezond bezig. Heb je wel eens opgezocht hoeveel chemische stoffen er in die cola van jou zitten? Doe eens je eigen onderzoek. In de middeleeuwen dronk iedereen bier, zelfs kinderen. En zeurde er toen iemand over ongevalsrisico? Nee hè?

Denk ook eens aan de risico’s die ik loop als ik nu *niet* naar huis rijd. Als ik hier de hele nacht blijf, dan kan er ook van alles misgaan. Deze kroeg kan afbranden, ik kan van de trap vallen, levensgevaarlijk allemaal. Dan kun je beter met een paar biertjes, of met een paar biertjes, wat wijntjes en twee limoncello op lekker naar je eigen veilige huis rijden. Je moet je niet zo gek laten maken door wat je in de mainstream media leest, joh.

Waarom bel je nou een taxi voor jezelf? Je kunt toch gezellig met me meerijden?’

Deze column verscheen op 5 november 2021 in de Volkskrant.

Herinneringen verdichten zich als iemand dood is. Er is niemand aan wie ik meer herinneringen heb dan aan mijn moeder

Mijn moeder overleed net voor kerst. Ze is 65 geworden. Te jong, maar meer dan we hadden durven hopen toen ze anderhalf jaar geleden terminaal ziek bleek. We kregen nog wat bonustijd cadeau – maanden die ondanks alles een gouden randje hadden. Want ze was er nog, ze was er nog.

Herinneringen verdichten zich zo als iemand dood is. Allerlei dingen die met de overledene te maken hebben, komen naar boven en krijgen extra betekenis. Er is niemand aan wie ik meer herinneringen heb dan aan mijn moeder. We waren zo hecht. We zagen elkaar veel en als we niet bij elkaar waren, dan waren er lange telefoongesprekken, appjes en brieven. Deze week exporteerde ik onze appjes om ze goed te bewaren, het werd een document van van 1.814 pagina’s. In mijn hele leven heb ik nooit langer dan een week géén contact gehad met mijn moeder. De eerste dag dat ze dood was, wilde ik haar al vier keer bellen om haar te vertellen over de lieve reacties die we kregen van haar vrienden.

Herinneringen aan haar buitelen door mijn hoofd en hart. Hoe mooi ze was in de musicals waarin ze begin jaren negentig speelde. Hoe belachelijk dol ze was op cadeautjes, zowel om te krijgen als om te geven. Hoe ze mijn vrienden omarmde, ook als het rare figuren waren. Hoe ze als boekhandelaar probeerde om voor elke klant het perfecte boek te vinden. De stapels boeken die thuis altijd overal lagen. Hoe ze bijna nooit twee keer hetzelfde kookte, maar steeds iets nieuws probeerde. De stedentrips die we samen maakten en hoe we samen in Berlijn stonden te dansen bij Stereo Total. Hoe ze zich altijd met alles en iedereen bemoeide en hoe vermoeiend dat soms was, maar toch vooral heel lief.

Ze bemoeide zich natuurlijk ook met haar eigen uitvaart, we planden die samen met mijn stiefvader. Mijn moeder wilde geen kist, maar een petrolblauwe lijkwade. Geen speeches in een kille aula, maar herinneringen aan haar ophalen in een Twentse borg vol kaarsjes. Na haar dood vonden we nog een lijstje met extra wensen. Zo moesten we ‘Doe het toch maar’ van Babs Gons een rol geven. Familieleden lazen dit gedicht voor bij haar uitvaart en we zetten de laatste regels op haar rouwkaart:

‘doe het toch maar

ook nadat je tot bloedens toe

op deuren hebt geklopt die dicht voor je blijven

bouw je eigen huizen

wacht niet tot ze je uitnodigen

vier je eigen feestje

doe het toch maar

klim maar uit bed op die ochtenden dat

de vermoeidheid je hoop en ledematen lamlegt

ook als je denkt dat de wereld je niet lijkt op te merken

en nog minder zit te wachten

op jou en je verhalen

vertel ze toch maar

doe het gewoon

want ergens weet je

dat dit het enige is waardoor je

in vrede met jezelf en de wereld kan leven’

Och, dacht ik, dat is precies hoe zij in het leven stond. En het is haar allerlaatste cadeautje voor iedereen die ze achterlaat. Op de momenten waarop we niet meer weten waarvoor we het doen, zullen we haar bemoedigende stem in ons hoofd horen: ‘Doe het toch maar.’

Deze column verscheen op 7 januari 2022 in de Volkskrant.

Laten we van Vivaldi’s Vier jaargetijden Zes jaargetijden maken

Toen deze week de herfst officieel begon, moest ik weer eens aan Kurt Vonnegut denken. Hij vond namelijk dat er geen vier seizoenen zijn, maar zes. Hij mopperde dat de lente vaak niet voelt als lente en dat november helemaal niet klopt voor de herfst – en dat mensen misschien wel daarom zo vaak somber zijn.

‘Hier is de waarheid over de seizoenen: de lente dat zijn mei en juni. Wat is er lente-achtiger dan mei en juni? De zomer dat zijn juli en augustus. Heel erg warm! De herfst dat zijn september en oktober. Zie je die pompoenen? Ruik je de brandende bladeren? Daarna komt het seizoen dat luiken heet. November en december zijn geen winter. Zij zijn luiken. Daarna komt de winter, januari en februari. Oh wat koud! Wat komt er daarna? Geen lente. Eerst komt ontluiken. Wat kunnen die wrede maand maart en de slechts iets minder wrede april anders zijn? Maart en april zijn geen lente, ze zijn ontluiken.’

Vonnegut hield dit pleidooi in de Amerikaanse staat New York, maar voor Nederland klopt deze indeling ook heel aardig. Tijdens de koude en natte lente van dit jaar dacht ik vaak: ‘Dit is geen lente. Dit is ontluiken.’

Hoe onze tijd is ingedeeld in jaren, maanden, weken en uren heeft natuurlijk van alles te maken met hoe de aarde om de zon draait. Ooit sprak ik iemand die probeerde om de 168 uur in een week niet meer in te delen in de traditionele zeven dagen van 24 uur. Nee, diegene maakte er zes dagen van 28 uur van, daarmee kom je ook op precies 168 uur. Met deze indeling hoefde hij maar zes keer acht uur te slapen en kreeg zo acht uur extra per week om andere dingen te doen. Het idee bleek in de praktijk toch iets minder goed te werken, met slaapperioden die steeds verschoven en regelmatig nogal onhandig overdag vielen. Onze zeven dagen van 24 uur zijn toch net iets beter afgestemd op wat de aarde doet.

Maar met die vier seizoenen weet ik dat nog zo net niet. Er blijken al systemen te zijn die het jaar indelen in zes seizoenen, zoals de Hindoekalender die een extra voor-winter en nazomer kent. Ik zie nog meer voordelen van zes seizoenen: er kunnen twee extra vioolconcerten gemaakt worden bij Vivaldi’s De vier jaargetijden. En wat te denken van de pizza quattro stagioni met de vier kwarten die staan voor de seizoenen: met artisjokken voor de lente, basilicum voor de zomer, paddestoelen voor de herfst en olijven voor de winter. Daar komen dan nog twee punten bij, doe mij maar verse spinazie voor het ontluiken en rode biet voor het luiken.

Ach, ik verwacht niet dat Nederland ooit zal overstappen op een systeem met zes seizoenen. Vonnegut hield zijn betoog al in 1978 en in de tussentijd is er niets veranderd. Maar waar leven volgens een week met zes dagen van 28 uur nogal onpraktisch blijkt, is er geen enkele reden om niet te leven alsof er zes seizoenen zijn. Ik ga vast op zoek naar een goede luikjas.

Deze column verscheen op 24 september 2021 in de Volkskrant.

Over fatsoenlijke tarieven (column)

Van onderstaande column uit 2013 is een nieuwe, geactualiseerde versie verschenen als Kakkerlakje – een klein boekje om te sturen naar alle opdrachtgevers die denken dat je voor een boekenbon/fles wijn komt en naar alle zzp’ers die je een hart onder de riem wilt steken. Te koop in de boekhandel of via https://loopvis.nl/jebenthetwaard/.

Beste congres-organisatie,

Wat leuk dat jullie me vragen voor een lezing, natuurlijk kan ik een verhaal vertellen over onverwachte toepassingen van wiskunde! Het is alleen jammer dat jullie geen budget hebben voor sprekers. Jullie boeken voor je congres een prachtig landgoed, huren een dure cateraar, maar de inhoud moet bijna gratis komen. Dat is toch merkwaardig. Ik kan als zelfstandige geen lezing komen geven voor 150 euro. Ik zal nog één keer uitleggen wat een fatsoenlijk tarief is.

Zie mij eens lekker staan op dat podium.
Zie mij eens lekker staan op dat podium.

Laten we eens kijken naar wat iemand in loondienst kost. Neem mijn oude studievriend Bert, hij verdient 3.600 euro bruto per maand. Dat is bovenmodaal, maar voor onze werkervaring en opleidingsniveau onder het gemiddelde. Voor zijn werkgever komen er bovenop dat brutoloon nog werknemersverzekeringen, sociale premies en vakantiegeld. Bij elkaar zijn de werkgeverskosten ongeveer 59.000 euro per jaar. En dan heb ik de bonus van Bert nog niet eens meegeteld.

Bert heeft ook een mooie werkplek, een telefoon, laptop plus een hele lading kantoorspullen van de zaak en hij mag diverse onkosten declareren. Moet hij naar een vergadering in Sneek? Zijn baas betaalt de reiskosten, eten onderweg en als het nodig is een hotel. Zeg dat al dit soort kosten nog eens zesduizend euro per jaar zijn. Dan komen we voor een werkgever op 65.000 euro aan kosten.

Hoeveel kost Bert daarmee per uur? Hij werkt full-time, maar lang niet al zijn uren zijn declarabel. Hij maakt regelmatig eens praatje bij de koffie-automaat of zit even voor zich uit te staren. Verder zijn er vergaderingen, cursussen, het beantwoorden van talloze emails, het oplossen van computerproblemen en al die andere dingen die naast zijn eigenlijk werk moeten gebeuren. Daarnaast gebruikt Bert zijn volle zesentwintig vakantiedagen en ligt hij wel eens met griep in bed. Zeg dat hij uiteindelijk duizend uur declarabel werk per jaar overhoudt. Dan kost Bert zijn werkgever uiteindelijk per uur 65 euro. Uit betrouwbare bron weet ik dat Bert het dubbele kost als hij eens aan een ander bedrijf wordt verhuurd.

Het lijkt me dus zeer redelijk dat ik als zelfstandige 65 euro per gewerkt uur reken. Op het eerste gezicht houd ik meer geld over dan Bert, maar ik heb veel meer onzekerheid en kosten dan hij (en leuker werk, dat dan weer wel). Mijn arbeidsongeschiktheidsverzekering is duurder dan die van een werknemer en pensioen moet ik op een of andere manier zelf opbouwen. Verder gaan opdrachtgevers wel eens failliet of krijg ik een tijdje domweg geen opdrachten terwijl Berts loon elke maand binnenkomt. Kortom: 65 euro per uur is echt het minimum.

Probeer nu eens te schatten hoeveel tijd een lezing op jullie conferentie me kost. Ik moet de vorm en inhoud met jullie overleggen, de juiste voorbeelden opduiken, een presentatie maken en oefenen. Op de dag zelf kom ik naar jullie afgelegen landgoed (in totaal vijf uur reizen), ben ik een uur van tevoren aanwezig om de techniek te testen en blijf ik op verzoek van jullie nog tot na de pauze zodat ik vragen kan beantwoorden. Na afloop stuur ik jullie netjes mijn presentatie en aanvullende informatie voor de deelnemers. Alles bij elkaar kost dit me makkelijk twee complete dagen. Reken zelf maar even uit voor welk bedrag jullie me kunnen boeken.

Hopelijk tot ziens,

Ionica

ps Zoals ik al schreef is 65 euro per uur het absolute minimum. Niet schrikken als ik af en toe wat meer vraag dus.

Deze column verscheen afgelopen weekend in de Volkskrant Met dank aan mijn onvolprezen boekhouder Marina Clausing die meedacht over de juiste vergelijking..

Deze podcast was precies wat ik nodig had na anderhalf jaar corona

Deze zomer kwam Karine Hoenderdos op het vier-sterren-idee om aan mensen te vragen wat hun favoriete podcast-afleveringen zijn en die bij elkaar te zetten in de Spotify-playlist PodcastParels. Dankzij haar ontdekte ik veel moois en één aflevering was zelfs zo goed, dat ik daarvan inmiddels de complete podcast beluisterd heb. Dat is The Anthropocene Reviewed van John Green.

Green is de schrijver van jeugdboeken zoals The Fault in Our Stars en een van de makers achter het educatieve YouTube-kanaal Crash Course. Ik ben al lang fan van hem, maar had zijn podcast op de een of andere manier helemaal gemist.

In The Anthropocene Reviewed recenseert Green elke aflevering één of twee aspecten van het antropoceen: het geologisch tijdperk van de mens. De besproken onderwerpen lopen uiteen van Super Mario Kart tot platanen en van Dr. Pepper light tot zonsondergangen. Een onderwerp kan maximaal vijf sterren krijgen.

Foto van The Anthropocene Reviewed, van Complexly and WNYC Studios.

Toen ik begon te luisteren, dacht ik aan de recensiekoning die een paar jaar terug ook de gekste dingen besprak en destijds één ster gaf aan de kerstkaarten van de Staatsloterij . Maar de recensies van The Anthropocene Reviewed bleken iets heel anders: het zijn autobiografische essays waarin Green zeer openhartig reflecteert op zijn eigen tekortkomingen en op die van de hele mensheid.

De aflevering waarin hij het lied Auld Lang Syne bespreekt is bijvoorbeeld één grote ode aan zijn overleden vriendin en mentor Amy Krouse Rosenthal. Green vervlecht de op zichzelf al heel interessante geschiedenis van het minstens 400 jaar oude lied met zijn persoonlijke geschiedenis van hoe Krouse Rosenthal hem hielp aan het begin van zijn carrière en hoe Green later tekort schoot toen zij hem vertelde dat ze kanker had en hij huilend antwoordde ‘Hoe kan dit gebeuren? Je doet zoveel yoga.’ Je hoort in zijn stem hoeveel spijt hij nog steeds heeft dat hij op dat moment niets beters wist te zeggen. Toen Green aan het einde van die aflevering een breekbare versie van Auld Lang Syne inzette, zong ik zacht huilend mee. De vijf sterren die het lied kreeg, waren natuurlijk allemaal voor Amy Krouse Rosenthal.

Het is zo’n slim idee om recensies, die natuurlijk per definitie een subjectieve ervaring weergeven, te gebruiken als vorm voor deze essays die een mix zijn van feitelijke informatie en heel persoonlijke verhalen. En ik geniet van de ironie dat Green enthousiast advertenties voor levensverzekeringen inspreekt en aan het einde van elke bespreking van die platte sterren geeft. Het net verschenen boek The Anthropocene Reviewed krijgt op Good Reads overigens gemiddeld 4,51 sterren, wat bijna net zo goed is als zonsondergangen die van Green vijf sterren kregen.

Deze podcast was precies wat ik nodig had na anderhalf jaar corona. Een terugkerend thema is de verwoestende kracht van de mensheid als geheel versus de machteloosheid van het individu. Als Green spreekt over hoe hij weet dat de mensheid iets moet doen om de drastische daling van de biodiversiteit te stoppen, verzucht hij dat het hem niet eens lukt om zijn kinderen hun ontbijt te laten eten. Maar een even vaak terugkerend thema is hoop: mensen die ondanks alles proberen om er iets van te maken en elkaar te helpen.

Ik geef The Anthropocene Reviewed vijf sterren.

Deze column verscheen op 3 september 2021 in de Volkskrant.

Schrijfregel 6

Deze week ontstond bij mijn college over onderzoeksmethoden een verhit debat. We discussieerden over hoe je je onderzoek opschrijft voor een wetenschappelijk artikel. Een studente vroeg waarom ons boek aanraadde om zoveel mogelijk actieve zinnen te gebruiken. Bijvoorbeeld liever ‘Ik ging naar de winkel om boodschappen te halen’ dan ‘Er was een bezoek aan de winkel waarbij boodschappen gehaald werden.’

Deze studente had geleerd dat academisch schrijven betekent dat je ‘we’ en ‘ik’ absoluut moet vermijden. Daarom werden al haar zinnen nu in de lijdende vorm geschreven. Ik vroeg me hardop af welke docent dit soort onzin vertelde. Toen bleek dat vrijwel al onze studenten dit ergens hadden geleerd. Niet alleen in Leiden, maar ook op middelbare scholen in Spanje of bacheloropleidingen in Utrecht.

Maar het is helemaal niet waar dat wetenschappelijke artikelen geen ‘we’ gebruiken. Tijdens mijn vak had ik nota bene allerlei publicaties laten zien met formuleringen als ‘we analyseerden voor deze studie 462 persberichten’ of ‘we verdeelden de testpersonen over drie verschillende groepen’.

Ho even, wierpen mijn studenten tegen, dat zijn artikelen vanuit sociale en geesteswetenschappen. Wij komen uit de exacte wetenschappen en daar mag je geen ‘we’ gebruiken. Want dat is niet objectief.

Ik wees hen vriendelijk op een hardcore bèta-artikel dat vrij vertaald begon met iets als: ‘We hebben een synthetische, door licht aangedreven moleculaire motor ontworpen die voorwerpen kan laten draaien die een factor 10.000 groter zijn dan de motor zelf.’ Jawel, het team van Nobelprijswinnaar Ben Feringa publiceerde hun werk in de we-vorm. En terecht, want die nano-motor had zichzelf niet gebouwd, daar waren mensen voor nodig.

Goed, zeiden mijn studenten zuchtend. Was het dan misschien iets moderns dat dit tegenwoordig wél mocht en dat zij dan bij andere vakken ouderwetse regels hadden geleerd? Nou, dat moeten dan héél oude docenten zijn geweest – want ook Albert Einstein schreef al dingen als ‘We definiëren deze twee principes als volgt…’ Kortom: actieve zinnen in de eerste persoon zijn zeker niet verboden in wetenschappelijke artikelen.

Ik legde mijn studenten uit dat dit soort regels nooit absoluut zijn. Hoewel ik hen zou aanraden om de lijdende vorm zoveel mogelijk te vermijden, kan die soms juist prachtig werken. Zo wees taalkundige Marc van Oostendorp er deze week op dat het goede van de zin ‘Daar wordt aan de deur geklopt’ juist in die passieve vorm zit. Wie zou dat zijn?

Ik eindigde mijn college met de zes schrijfregels van George Orwell – uit zijn geweldige essay Politics and the English Language. Zijn zesde regel is de allerbelangrijkste.

1. Gebruik nooit een beeldspraak, vergelijking of andere stijlfiguur die je regelmatig tegenkomt.
2. Gebruik nooit een lang woord waar een kort voldoet.
3. Als een woord kan worden weggelaten, laat het dan weg.
4. Gebruik nooit de passieve vorm als je ook de actieve kunt gebruiken.
5. Gebruik nooit jargon, een benaming uit een vreemde taal of een wetenschappelijk begrip wanneer je het alledaagse equivalent weet te bedenken.
6. Laat deze regels vallen zodra je iets volstrekt onwelluidends dreigt te zeggen.

Deze vertaling komt uit het boek Vallende kwartjes dat ik in 2010 met Bas Haring maakte. Deze zes regels waren het motto van ons boek – en van alles dat ik sindsdien schreef.

Deze column verscheen op 20 november 2020 in de Volkskrant.

Vaak moet je keuzes maken terwijl je de kansen niet precies weet

Elke dag neem je allerlei beslissingen die gebaseerd zijn op kansen. Kleine beslissingen zoals: sjouw ik een paraplu mee als ik ga wandelen? Financiële beslissingen als: sluit ik een verzekering af voor mijn nieuwe telefoon? En grote, persoonlijke beslissingen zoals: wil ik dit experimentele medicijn proberen? Vaak moet je dit soort keuzes maken terwijl je de kansen niet precies weet.

Een theoretisch voorbeeld met ballen in vazen (het blijft kansrekening) geeft een mooie illustratie van hoe inconsistent mensen hierbij soms zijn. In een ondoorzichtige vaas zitten negentig ballen. Dertig daarvan zijn rood. De andere zestig ballen zijn zwart of geel, maar het is onbekend hoe die kleuren verdeeld zijn. De ballen kunnen alle zestig geel zijn, dertig zwart om dertig geel, alle zestig zwart, of iets daartussen in. De ballen zijn, zoals het gaat in dit soort gedachte-experimenten, flink geschud en elk van de negentig ballen heeft eenzelfde kans om uit de vaas gehaald te worden.

Nu mag je kiezen uit twee weddenschappen. Bij weddenschap A krijg je honderd euro als je een rode bal trekt. Bij weddenschap B krijg je honderd euro als je een zwarte bal trekt. Bedenk maar welke van de twee je liever zou willen.

Nu krijg je ook nog de keuze uit twee andere weddenschappen. Bij weddenschap C krijg je honderd euro als je een rode of gele bal trekt. Bij weddenschap D krijg je honderd euro als je een zwarte of gele bal trekt. Welke van deze weddenschappen zou je het liefst hebben?

De meeste mensen kiezen weddenschap A boven B. Je weet bij A dat de kans op een rode bal 1/3 is, terwijl je bij B geen idee hebt hoeveel zwarte ballen er zijn. Blijkbaar hebben mensen liever de zekerheid van 1/3 kans om te winnen. Hierbij gokken ze er dus (impliciet) op dat er meer rode dan zwarte ballen zijn.

Logischerwijs zouden die mensen dan bij de tweede vraag ook moeten aannemen dat er meer rode dan zwarte ballen zijn en dat C dus beter is dan D (want het aantal rode plus gele ballen is dan automatische groter dan het aantal zwarte plus gele ballen). Maar in de praktijk kiezen mensen toch liever D, waarbij de winkans altijd 2/3 is. Zekerheid gaat blijkbaar boven optimale winkansen. Dit verschijnsel staat bekend onder de naam Ellsbergs paradox.

Ik leerde deze paradox kennen dankzij het ontroerende essay Face to face met het onbekende. Daarin beschrijft wetenschapsfilosoof Sylvia Wenmackers hoe bang zij was voor onbekende risico’s en hoe zij langzaam maar zeker haar denken – en daarmee haar hele leven – veranderde. Wat niet makkelijk was: “Het herzien van mijn overtuigingen vereiste namelijk dat ik inconsistent werd met mijn vroegere ik. En voor inconsistentie is menig filosoof het bangst van al.” Haar essay is werkelijk prachtig. Ik hoop dat de kans heel erg groot is dat je het vandaag nog opzoekt en leest.

Deze column verscheen op 29 januari 2021 in de Volkskrant.

Hadden maar meer wetenschappers de droom hun onderzoek ‘in een boekske bij de kapper’ te krijgen

Een tijdje terug was ik nogal jaloers op België. Daar werden wetenschappers die aan publieksprojecten doen eens per jaar in het zonnetje gezet met de jaarprijzen wetenschapscommunicatie. Ik was ooit te gast bij de uitreiking daarvan in het prachtige pand van de Koninklijke Vlaamse Academie van België en zag hoe tientallen onderzoekers in de prijzen vielen. Eén van de winnaars vertelde op het podium dat zijn droom was om zijn onderzoek ‘in een boekske bij de kapper’ te krijgen. Hadden maar meer wetenschappers zo’n droom.

Ik was destijds een klein beetje teleurgesteld toen deze jaarprijzen vooral symbolisch bleken: de winnaars kregen geen geld, alleen een pluim van de academie. Maar goed, dat was altijd nog beter dan in Nederland waar er destijds helemaal geen prijzen voor wetenschapscommunicatie meer waren.

Inmiddels hebben we een inhaalslag gemaakt. Sinds 2019 is er de jaarlijkse Irispenning voor excellente wetenschapscommunicatie mét een geldbedrag van 10 duizend euro. Datzelfde jaar besloot (toen nog niet demissionaire) minister van Engelshoven om wetenschapscommunicatie een flinke impuls te geven. Met 3 miljoen euro om binnen de Nationale Wetenschapsagenda kennis naar de maatschappij te brengen een pilot van 1 miljoen euro ‘om onderzoekers te belonen die actief met de samenleving de dialoog aan gaan’.

Foto van de Irispenning.

Die pilot kostte even tijd om te organiseren, maar vorige week maakte onze eigen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen bekend dat meer dan negentig wetenschappelijke teams elk 10 duizend euro krijgen als blijk van waardering. Ik zag persoonlijke favorieten in de lijst, zoals de blogs StukRoodVlees.nl (over politicologisch onderzoek) en Neerlandistiek.nl (de naam zegt het al), maar ook initiatieven die ik niet nog kende zoals Verblijfblog.nl (over migratierecht). Naast blogs waren er ook podcasts, stripboeken, lezingreeksen en nog veel meer – grasduin vooral eens door de lijst als u meer wilt weten over wetenschap .

Die prijzen en waardering voor wetenschapscommunicatie zijn heel goed. Maar helpen ze ook om de grote vragen uit het vakgebied te beantwoorden? De corona-crisis liet zien hoe lastig het is om helder te communiceren over wetenschappelijke modellen en de onzekerheid in voorspellingen. We zagen hele groepen mensen die hun vertrouwen in experts en wetenschap verloren zijn. En sommige wetenschappers deden desondanks alsof communicatie een vorm van éénrichtingsverkeer is. Het is vrij makkelijk om aan te wijzen wat er qua wetenschapscommunicatie allemaal misging in het afgelopen jaar, maar nogal lastig om te zeggen hoe het dan wél had gemoeten. We weten domweg nog heel veel niet.

Science communication wordweb

Onze oosterburen hebben besloten om grootscheeps in te zetten op een volgende stap in wetenschapscommunicatie. Zij gaan met Science communication cubed een aantal nieuwe centra oprichten die onderzoek en praktijk van wetenschapscommunicatie combineren. In die centra bundelen communicatie-onderzoekers, academici die vanuit een specifiek vakgebied communiceren én wetenschapscommunicatoren van buiten de universiteit hun krachten: wetenschapscommunicatie tot de derde macht. De Duitsers zetten in op grote veranderingen en investeren 4 miljoen euro per centrum – en bij succes krijgen ze na vijf jaar elk nog eens 2 miljoen.

De laatste tijd ben ik nogal jaloers op Duitsland.

Deze column verscheen op 30 april 2021 in de Volkskrant.

Stel dat wetenschappelijke publicaties makkelijk leesbaar zijn. Straks lezen mensen die nog voor hun plezier

Mijn wetenschappelijk artikel kwam terug met een afwijzing. ‘De stijl van dit stuk is ongeschikt voor een academische verhandeling. Het leest als een populair-wetenschappelijke publicatie’, schreef de altijd strenge beoordelaar nummer 2. Nee, dat zou toch wat zijn zeg, dat een wetenschappelijke publicatie soepel leesbaar is. Moet je je voorstellen wat er dan allemaal mis zou gaan. Straks gaan mensen die artikelen nog voor hun plezier lezen. En waarom zouden beoordelaars van wetenschappelijke manuscripten zich überhaupt bemoeien met de stijl van de auteur? Zouden ze niet puur naar de inhoud moeten kijken?

Het lijkt erop dat sommige academici moeilijk kunnen geloven dat een vlot geschreven tekst inhoudelijk net zo sterk kan zijn als een taai artikel. De Vlaamse schrijver Bart Van Loo kreeg het onlangs aan de stok met vakhistorici die zijn boek De Bourgondiërs afkraakten. In een vlammend artikel betoogt hij: ‘Het is niet omdat je je verhaal kruidt met saillante details en humor, of omdat je inzet op narratieve schwung, dat de kern van je inhoud wordt aangetast. Het maakt wel dat meer lezers tot bij die inhoud raken.’

nakijken

Nu had ik bij mijn wetenschappelijke artikel niet eens humor of narratieve schwung ingezet, ik wilde het namelijk graag gepubliceerd krijgen. Desondanks overwoog ik om beoordelaar nummer twee dit citaat in een sarcastische mail toe te zenden. Ik deed het niet, want ik wilde dat stuk namelijk graag alsnog gepubliceerd krijgen.

Deze week las ik een goede manier om met dit soort frustraties om te gaan op de blog van auteur Rob van Essen. Hij schreef: ‘In een eerdere versie van dit stuk werden sommige recensenten op sarcastische en soms ronduit kwetsende wijze op hun nummer gezet. Al die fragmenten heb ik eruit gehaald. Ik heb ze wel bewaard, want je weet maar nooit; ze hangen aan de binnenkant van de deur van het keukenkastje waarin we de glazen bewaren die tegen een stootje kunnen.’

Van Essen maakt zich in die blog boos over recensenten die romans met Netflix vergelijken en daarmee insinueren dat die romans niet echt literair zijn. Zo schreef Onno Blom onlangs in de Volkskrant: ‘In haar kloeke tweede roman Ik ben er niet hanteert Lize Spit alle trucs van een bingewatchwaardige Netflix-serie.’ Klein detail: Van Essen en Spit hebben een relatie, ze delen dat keukenkastje vol met sneren naar recensenten.

Maar Van Essen zag de vergelijking ook in recensies van een andere roman, en toevallig hoorde ik hem vorige week ook bij mijn leesclub. De vergelijking heeft hetzelfde dedain voor toegankelijkheid dat ook in de wetenschap voorkomt. Stel je voor dat lezers een boek willen binge-lezen, dat ze er in meegezogen worden als in een spannende serie. Straks gaan mensen die boeken nog voor hun plezier lezen. Bovendien: waarom zou een boek niet tegelijk meeslepend én literair kunnen zijn?

Nu fantaseer ik over de volgende stap: wetenschappelijke verhandelingen die lezen als een Netflix-serie. Maar ik ga ze niet schrijven, want ik moet mijn artikelen langs beoordelaar nummer twee zien te krijgen.

Deze column verscheen op 12 februari 2021 in de Volkskrant.