Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

64 is het lievelingsgetal van mijn zoontje en waarschijnlijk het eindpunt van mijn moeder


Het was een mooie nazomerdag in 2012. Mijn moeder en ik zaten in een parkje in Zwolle, mijn zoon van 1,5 scharrelde om ons heen om steentjes te verzamelen. De avond ervoor had ik mijn moeder meegenomen naar de Librije – om nog één keer heel lekker te eten voor zij aan haar chemokuren begon. Ze had borstkanker en haar borst was eerder die zomer weggehaald. Dat was verbazingwekkend soepel gegaan, mijn moeder lag na de operatie grapjes makend in het ziekenhuisbed. En toen de arts een paar dagen later belde om te zeggen dat ze snel een beha moest dragen om te voorkomen dat het gewicht van haar andere borst aan de wond zou trekken, moest ze schaterlachen. Een van de voordelen van een kleine cup A was dat je borst niet zo snel een hinderlijk gewicht werd.

We waren optimistisch die zonnige dag in Zwolle. Die chemo zou niet leuk worden, maar mijn moeder was net 56 en heel gezond (op die stomme kanker na). Ze zou er vast goed uitkomen. Dat viel tegen. Mijn moeder kreeg tijdens de chemokuren naast alle nare lichamelijke bijwerkingen ook enorme angstaanvallen. De oncoloog zei doodleuk dat zij er was voor het bestrijden van de kanker en niet voor hoe de patiënt zich voelde. Pas jaren later hoorden we dat die angstaanvallen waarschijnlijk een bijwerking waren van medicijnen die ze tijdens de chemo kreeg. Mijn moeder maakte de kuur af – op haar tandvlees. De kanker leek weg, maar ze had veel ingeleverd en de angsten bleven. Ze moest stoppen met haar werk in haar zo geliefde boekhandel. Logeerpartijen van mijn zoon bleken al snel te vermoeiend. Veel vakanties en mooie plannen werden afgeblazen omdat het te zwaar was.

Maar mijn moeder was er nog en ze maakte volop mooie plannen, ook al zouden die misschien niet allemaal lukken. Ze krabbelde op en 2017 was zowaar een echt goed jaar. Daarna kreeg ze steeds meer vage klachten. Mijn moeder probeerde de ene therapie na de andere – want dit was volgens haar artsen vast iets psychisch. Ze kreeg ook steeds vaker rugpijn – maar dat was vast spanning.

Tijdens de intelligente lockdown dit voorjaar werd die rugpijn steeds erger. Ik zag hoe mijn moeder vocht tegen tranen van de pijn als ze via Skype haar kleinkinderen voorlas. Ze kreeg steeds meer pijnstillers en zonder dat ze een arts had gezien zat ze op een gegeven moment aan de morfine. Desondanks had ze nog steeds pijn. In juni kon er eindelijk een MRI-scan gemaakt worden. En toen zaten er overal in haar rug uitzaaiingen. De kanker was terug; en waarschijnlijk al een hele tijd. Genezen kon niet meer, hooguit een beetje tijd rekken en de pijn stillen. Inmiddels heeft mijn moeder gekozen voor een palliatief traject: geen behandelingen meer, maar zo goed mogelijk de laatste tijd beleven met degenen die haar lief zijn.

Ze werd deze augustus 64 en dat is het lievelingsgetal van mijn inmiddels 9-jarige zoon. Mijn moeder gaf hém bij haar verjaardag een schilderijtje dat ze had gemaakt van de steentjes die hij in 2012 in Zwolle verzamelde – al die jaren had zij die liefdevol bewaard. De steentjes vormen het getal 64 als een letterlijk tastbare herinnering aan zijn oma. Zijn lievelingsgetal en waarschijnlijk haar eindpunt. En nu denk ik bij elke 64 die ik zie aan mijn fantastische moeder, mijn zoon, die steentjes en hoe volkomen oneerlijk het leven kan zijn.

Deze column verscheen op 25 september 2020 in de Volkskrant.