Categorie: Column

Deze podcast was precies wat ik nodig had na anderhalf jaar corona

Deze zomer kwam Karine Hoenderdos op het vier-sterren-idee om aan mensen te vragen wat hun favoriete podcast-afleveringen zijn en die bij elkaar te zetten in de Spotify-playlist PodcastParels. Dankzij haar ontdekte ik veel moois en één aflevering was zelfs zo goed, dat ik daarvan inmiddels de complete podcast beluisterd heb. Dat is The Anthropocene Reviewed van John Green.

Green is de schrijver van jeugdboeken zoals The Fault in Our Stars en een van de makers achter het educatieve YouTube-kanaal Crash Course. Ik ben al lang fan van hem, maar had zijn podcast op de een of andere manier helemaal gemist.

In The Anthropocene Reviewed recenseert Green elke aflevering één of twee aspecten van het antropoceen: het geologisch tijdperk van de mens. De besproken onderwerpen lopen uiteen van Super Mario Kart tot platanen en van Dr. Pepper light tot zonsondergangen. Een onderwerp kan maximaal vijf sterren krijgen.

Foto van The Anthropocene Reviewed, van Complexly and WNYC Studios.

Toen ik begon te luisteren, dacht ik aan de recensiekoning die een paar jaar terug ook de gekste dingen besprak en destijds één ster gaf aan de kerstkaarten van de Staatsloterij . Maar de recensies van The Anthropocene Reviewed bleken iets heel anders: het zijn autobiografische essays waarin Green zeer openhartig reflecteert op zijn eigen tekortkomingen en op die van de hele mensheid.

De aflevering waarin hij het lied Auld Lang Syne bespreekt is bijvoorbeeld één grote ode aan zijn overleden vriendin en mentor Amy Krouse Rosenthal. Green vervlecht de op zichzelf al heel interessante geschiedenis van het minstens 400 jaar oude lied met zijn persoonlijke geschiedenis van hoe Krouse Rosenthal hem hielp aan het begin van zijn carrière en hoe Green later tekort schoot toen zij hem vertelde dat ze kanker had en hij huilend antwoordde ‘Hoe kan dit gebeuren? Je doet zoveel yoga.’ Je hoort in zijn stem hoeveel spijt hij nog steeds heeft dat hij op dat moment niets beters wist te zeggen. Toen Green aan het einde van die aflevering een breekbare versie van Auld Lang Syne inzette, zong ik zacht huilend mee. De vijf sterren die het lied kreeg, waren natuurlijk allemaal voor Amy Krouse Rosenthal.

Het is zo’n slim idee om recensies, die natuurlijk per definitie een subjectieve ervaring weergeven, te gebruiken als vorm voor deze essays die een mix zijn van feitelijke informatie en heel persoonlijke verhalen. En ik geniet van de ironie dat Green enthousiast advertenties voor levensverzekeringen inspreekt en aan het einde van elke bespreking van die platte sterren geeft. Het net verschenen boek The Anthropocene Reviewed krijgt op Good Reads overigens gemiddeld 4,51 sterren, wat bijna net zo goed is als zonsondergangen die van Green vijf sterren kregen.

Deze podcast was precies wat ik nodig had na anderhalf jaar corona. Een terugkerend thema is de verwoestende kracht van de mensheid als geheel versus de machteloosheid van het individu. Als Green spreekt over hoe hij weet dat de mensheid iets moet doen om de drastische daling van de biodiversiteit te stoppen, verzucht hij dat het hem niet eens lukt om zijn kinderen hun ontbijt te laten eten. Maar een even vaak terugkerend thema is hoop: mensen die ondanks alles proberen om er iets van te maken en elkaar te helpen.

Ik geef The Anthropocene Reviewed vijf sterren.

Deze column verscheen op 3 september 2021 in de Volkskrant.

Vaak moet je keuzes maken terwijl je de kansen niet precies weet

Elke dag neem je allerlei beslissingen die gebaseerd zijn op kansen. Kleine beslissingen zoals: sjouw ik een paraplu mee als ik ga wandelen? Financiële beslissingen als: sluit ik een verzekering af voor mijn nieuwe telefoon? En grote, persoonlijke beslissingen zoals: wil ik dit experimentele medicijn proberen? Vaak moet je dit soort keuzes maken terwijl je de kansen niet precies weet.

Een theoretisch voorbeeld met ballen in vazen (het blijft kansrekening) geeft een mooie illustratie van hoe inconsistent mensen hierbij soms zijn. In een ondoorzichtige vaas zitten negentig ballen. Dertig daarvan zijn rood. De andere zestig ballen zijn zwart of geel, maar het is onbekend hoe die kleuren verdeeld zijn. De ballen kunnen alle zestig geel zijn, dertig zwart om dertig geel, alle zestig zwart, of iets daartussen in. De ballen zijn, zoals het gaat in dit soort gedachte-experimenten, flink geschud en elk van de negentig ballen heeft eenzelfde kans om uit de vaas gehaald te worden.

Nu mag je kiezen uit twee weddenschappen. Bij weddenschap A krijg je honderd euro als je een rode bal trekt. Bij weddenschap B krijg je honderd euro als je een zwarte bal trekt. Bedenk maar welke van de twee je liever zou willen.

Nu krijg je ook nog de keuze uit twee andere weddenschappen. Bij weddenschap C krijg je honderd euro als je een rode of gele bal trekt. Bij weddenschap D krijg je honderd euro als je een zwarte of gele bal trekt. Welke van deze weddenschappen zou je het liefst hebben?

De meeste mensen kiezen weddenschap A boven B. Je weet bij A dat de kans op een rode bal 1/3 is, terwijl je bij B geen idee hebt hoeveel zwarte ballen er zijn. Blijkbaar hebben mensen liever de zekerheid van 1/3 kans om te winnen. Hierbij gokken ze er dus (impliciet) op dat er meer rode dan zwarte ballen zijn.

Logischerwijs zouden die mensen dan bij de tweede vraag ook moeten aannemen dat er meer rode dan zwarte ballen zijn en dat C dus beter is dan D (want het aantal rode plus gele ballen is dan automatische groter dan het aantal zwarte plus gele ballen). Maar in de praktijk kiezen mensen toch liever D, waarbij de winkans altijd 2/3 is. Zekerheid gaat blijkbaar boven optimale winkansen. Dit verschijnsel staat bekend onder de naam Ellsbergs paradox.

Ik leerde deze paradox kennen dankzij het ontroerende essay Face to face met het onbekende. Daarin beschrijft wetenschapsfilosoof Sylvia Wenmackers hoe bang zij was voor onbekende risico’s en hoe zij langzaam maar zeker haar denken – en daarmee haar hele leven – veranderde. Wat niet makkelijk was: “Het herzien van mijn overtuigingen vereiste namelijk dat ik inconsistent werd met mijn vroegere ik. En voor inconsistentie is menig filosoof het bangst van al.” Haar essay is werkelijk prachtig. Ik hoop dat de kans heel erg groot is dat je het vandaag nog opzoekt en leest.

Deze column verscheen op 29 januari 2021 in de Volkskrant.

Hadden maar meer wetenschappers de droom hun onderzoek ‘in een boekske bij de kapper’ te krijgen

Een tijdje terug was ik nogal jaloers op België. Daar werden wetenschappers die aan publieksprojecten doen eens per jaar in het zonnetje gezet met de jaarprijzen wetenschapscommunicatie. Ik was ooit te gast bij de uitreiking daarvan in het prachtige pand van de Koninklijke Vlaamse Academie van België en zag hoe tientallen onderzoekers in de prijzen vielen. Eén van de winnaars vertelde op het podium dat zijn droom was om zijn onderzoek ‘in een boekske bij de kapper’ te krijgen. Hadden maar meer wetenschappers zo’n droom.

Ik was destijds een klein beetje teleurgesteld toen deze jaarprijzen vooral symbolisch bleken: de winnaars kregen geen geld, alleen een pluim van de academie. Maar goed, dat was altijd nog beter dan in Nederland waar er destijds helemaal geen prijzen voor wetenschapscommunicatie meer waren.

Inmiddels hebben we een inhaalslag gemaakt. Sinds 2019 is er de jaarlijkse Irispenning voor excellente wetenschapscommunicatie mét een geldbedrag van 10 duizend euro. Datzelfde jaar besloot (toen nog niet demissionaire) minister van Engelshoven om wetenschapscommunicatie een flinke impuls te geven. Met 3 miljoen euro om binnen de Nationale Wetenschapsagenda kennis naar de maatschappij te brengen een pilot van 1 miljoen euro ‘om onderzoekers te belonen die actief met de samenleving de dialoog aan gaan’.

Foto van de Irispenning.

Die pilot kostte even tijd om te organiseren, maar vorige week maakte onze eigen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen bekend dat meer dan negentig wetenschappelijke teams elk 10 duizend euro krijgen als blijk van waardering. Ik zag persoonlijke favorieten in de lijst, zoals de blogs StukRoodVlees.nl (over politicologisch onderzoek) en Neerlandistiek.nl (de naam zegt het al), maar ook initiatieven die ik niet nog kende zoals Verblijfblog.nl (over migratierecht). Naast blogs waren er ook podcasts, stripboeken, lezingreeksen en nog veel meer – grasduin vooral eens door de lijst als u meer wilt weten over wetenschap .

Die prijzen en waardering voor wetenschapscommunicatie zijn heel goed. Maar helpen ze ook om de grote vragen uit het vakgebied te beantwoorden? De corona-crisis liet zien hoe lastig het is om helder te communiceren over wetenschappelijke modellen en de onzekerheid in voorspellingen. We zagen hele groepen mensen die hun vertrouwen in experts en wetenschap verloren zijn. En sommige wetenschappers deden desondanks alsof communicatie een vorm van éénrichtingsverkeer is. Het is vrij makkelijk om aan te wijzen wat er qua wetenschapscommunicatie allemaal misging in het afgelopen jaar, maar nogal lastig om te zeggen hoe het dan wél had gemoeten. We weten domweg nog heel veel niet.

Science communication wordweb

Onze oosterburen hebben besloten om grootscheeps in te zetten op een volgende stap in wetenschapscommunicatie. Zij gaan met Science communication cubed een aantal nieuwe centra oprichten die onderzoek en praktijk van wetenschapscommunicatie combineren. In die centra bundelen communicatie-onderzoekers, academici die vanuit een specifiek vakgebied communiceren én wetenschapscommunicatoren van buiten de universiteit hun krachten: wetenschapscommunicatie tot de derde macht. De Duitsers zetten in op grote veranderingen en investeren 4 miljoen euro per centrum – en bij succes krijgen ze na vijf jaar elk nog eens 2 miljoen.

De laatste tijd ben ik nogal jaloers op Duitsland.

Deze column verscheen op 30 april 2021 in de Volkskrant.

Stel dat wetenschappelijke publicaties makkelijk leesbaar zijn. Straks lezen mensen die nog voor hun plezier

Mijn wetenschappelijk artikel kwam terug met een afwijzing. ‘De stijl van dit stuk is ongeschikt voor een academische verhandeling. Het leest als een populair-wetenschappelijke publicatie’, schreef de altijd strenge beoordelaar nummer 2. Nee, dat zou toch wat zijn zeg, dat een wetenschappelijke publicatie soepel leesbaar is. Moet je je voorstellen wat er dan allemaal mis zou gaan. Straks gaan mensen die artikelen nog voor hun plezier lezen. En waarom zouden beoordelaars van wetenschappelijke manuscripten zich überhaupt bemoeien met de stijl van de auteur? Zouden ze niet puur naar de inhoud moeten kijken?

Het lijkt erop dat sommige academici moeilijk kunnen geloven dat een vlot geschreven tekst inhoudelijk net zo sterk kan zijn als een taai artikel. De Vlaamse schrijver Bart Van Loo kreeg het onlangs aan de stok met vakhistorici die zijn boek De Bourgondiërs afkraakten. In een vlammend artikel betoogt hij: ‘Het is niet omdat je je verhaal kruidt met saillante details en humor, of omdat je inzet op narratieve schwung, dat de kern van je inhoud wordt aangetast. Het maakt wel dat meer lezers tot bij die inhoud raken.’

nakijken

Nu had ik bij mijn wetenschappelijke artikel niet eens humor of narratieve schwung ingezet, ik wilde het namelijk graag gepubliceerd krijgen. Desondanks overwoog ik om beoordelaar nummer twee dit citaat in een sarcastische mail toe te zenden. Ik deed het niet, want ik wilde dat stuk namelijk graag alsnog gepubliceerd krijgen.

Deze week las ik een goede manier om met dit soort frustraties om te gaan op de blog van auteur Rob van Essen. Hij schreef: ‘In een eerdere versie van dit stuk werden sommige recensenten op sarcastische en soms ronduit kwetsende wijze op hun nummer gezet. Al die fragmenten heb ik eruit gehaald. Ik heb ze wel bewaard, want je weet maar nooit; ze hangen aan de binnenkant van de deur van het keukenkastje waarin we de glazen bewaren die tegen een stootje kunnen.’

Van Essen maakt zich in die blog boos over recensenten die romans met Netflix vergelijken en daarmee insinueren dat die romans niet echt literair zijn. Zo schreef Onno Blom onlangs in de Volkskrant: ‘In haar kloeke tweede roman Ik ben er niet hanteert Lize Spit alle trucs van een bingewatchwaardige Netflix-serie.’ Klein detail: Van Essen en Spit hebben een relatie, ze delen dat keukenkastje vol met sneren naar recensenten.

Maar Van Essen zag de vergelijking ook in recensies van een andere roman, en toevallig hoorde ik hem vorige week ook bij mijn leesclub. De vergelijking heeft hetzelfde dedain voor toegankelijkheid dat ook in de wetenschap voorkomt. Stel je voor dat lezers een boek willen binge-lezen, dat ze er in meegezogen worden als in een spannende serie. Straks gaan mensen die boeken nog voor hun plezier lezen. Bovendien: waarom zou een boek niet tegelijk meeslepend én literair kunnen zijn?

Nu fantaseer ik over de volgende stap: wetenschappelijke verhandelingen die lezen als een Netflix-serie. Maar ik ga ze niet schrijven, want ik moet mijn artikelen langs beoordelaar nummer twee zien te krijgen.

Deze column verscheen op 12 februari 2021 in de Volkskrant.

Talkshowmedici

Zouden er ooit zoveel medici in de media zijn geweest als afgelopen jaar? Nel Ruigrok onderzoekt met studenten van de master Media & Journalistiek aan de Erasmus Universiteit wie er tijdens het eerste jaar van de coronacrisis aanschoven bij talkshows en waarover zij praatten. Ruim 60% van de items ging over corona en er schoven heel wat medische experts aan. Sommigen waren zelfs héél vaak te gast. Ernst Kuipers, Diederik Gommers en Ab Osterhaus kwamen elk tussen de dertig en veertig keer en diverse andere medische experts kwamen ook meermaals meepraten.

Dat meepraten in talkshows heeft iets merkwaardigs. Vaak moet je iets zeggen over onderwerpen die nét buiten je eigen expertise liggen. Of moet je in discussie met Famke Louise. Of wordt er ineens naar jouw mening gevraagd over het onderwerp dat na jouw gesprek ter tafel komt – waarop je dan maar vrolijk meebabbelt. En als je maar vaak genoeg op televisie komt, ga je op televisie praten over hoe het is om vaak op televisie te komen.

Applaus voor mij – want ook ik was op televisie!

Een paar jaar terug zat ik zelf een paar keer achter elkaar bij een talkshow. Want zo werkt het: als je het aardig doet op televisie, belt de redactie je de week erna weer. En de week daarna. Op een dag na zo’n televisie-optreden zat ik op de universiteit, in mijn kleine werkkamer met tegenover me een wat moeizame afstudeerder en een schier oneindige stapel papierwerk op mijn bureau. Ineens dacht ik bij mezelf: Wat doe ik hier? Weten ze wel wie ik ben?

Een collega sprak me die middag bezorgd aan. Ze vond dat ik zo anders deed dan normaal, was er iets mis? Ineens besefte ik wat er mis was: mijn ego was opgezwollen door al die tv-optredens. Daardoor vergat ik even hoe geweldig het was dat die moeizame afstudeerder heel mooie eerste resultaten had weten te behalen en hoe in die stapel papierwerk het laatste formulier lag dat nodig was om dat spannende nieuwe onderzoeksproject te starten. Dit was mijn echte werk. Die weinige glamoureuze werkkamer was waar alle inhoud vandaan kwam. Ik vermeed daarna een tijdlang alle talkshows, tot ik weer met beide voeten op de grond stond.

Nu hoop ik dus zo dat al die medici in talkshows hier beter in zijn dan ik. En anders dat zij ook een collega hebben die hen op tijd waarschuwt.

Deze column verscheen op 16 maart 2021 in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Ik moest schatten wat de kans op deze buikpijn was als mijn spiraal níét door mijn baarmoeder was ­gegaan

Met Kerst kreeg ik buikpijn. Tijdens het kerstdiner zocht ik op thuisarts.nl naar de symptomen van blindedarmontsteking. Maar de pijn was anders, het leken wel weeën. Was dit een extreme vorm van menstruatiepijn? Op maandag belde ik mijn huisarts om te vragen of die buikpijn iets te maken kon hebben met mijn nieuwe spiraaltje dat begin december geplaatst was.

Hij wilde me onmiddellijk zien en even later bleken de touwtjes van mijn spiraal verdwenen. Voorzichtig vertelde mijn huisarts me dat er een kans van 1 op 1000 was dat de spiraal bij het plaatsen mijn baarmoederwand had geperforeerd. En dat hij daarna in mijn buikholte kon zijn beland. Ondanks corona en kerstvakantie kon ik gelijk door naar het ziekenhuis voor een echo.

Terwijl ik naar het ziekenhuis fietste, dacht ik na over die 1 op 1000. Best een grote kans eigenlijk.

En dat was de kans dat het überhaupt misging bij plaatsing, maar gegeven dat ik nu pijn had was die kans waarschijnlijk een stuk groter. Om mezelf af te leiden, besloot ik die kans uit te rekenen met de stelling van Bayes.

Daarvoor moest ik nog twee kansen schatten. Als eerste de kans dat ik buikpijn zou krijgen als de spiraal mijn baarmoeder geperforeerd had. Die leek me nogal groot, al schenen er ook vrouwen te zijn die dit niet eens merkten: ik zette hem op 90 procent. Ook moest ik schatten wat de kans op deze buikpijn was als mijn spiraal níét door mijn baarmoeder was gegaan. Ik besloot die op één op duizend te zetten, omdat de pijn zo raar en heftig was. De stelling van Bayes leverde op dat met mijn buikpijn de kans op een geperforeerde baarmoeder zo’n 47 procent was.

De gynaecoloog bleek een stuk optimistischer. Waarschijnlijk zat mijn spiraal gewoon wat dieper in mijn baarmoeder, dat kwam vaak voor. Maar bij de echo kon hij hem niet vinden. Hij bleef optimistisch: misschien was ik mijn spiraal ongemerkt verloren, dat kon blijkbaar ook nog. Een röntgenfoto zou zekerheid geven.

Terwijl ik door een verlaten ziekenhuis liep, overwoog ik mijn berekening bij te werken met de nieuwe informatie. Maar voordat ik dat kon doen, was de foto al genomen en verder rekenwerk overbodig. Mijn spiraal was duidelijk zichtbaar – en hij zat niet in mijn baarmoeder. Er werd een operatie gepland om hem eruit te vissen. De tussentijd kwam ik door met stapels paracetamol, Agatha Christie en bange berekeningen voor de kans dat de operatie vanwege corona zou worden uitgesteld.

Inmiddels is de spiraal succesvol verwijderd. Hij bleek in de holte van Douglas te zijn beland, een ruimte tussen je baarmoeder en endeldarm. Ik had er nog nooit van gehoord (zo leer je nog eens wat), maar het bleek de plek waar ruim de helft van de verdwenen spiraaltjes opduikt. Bij de operatie is ook gelijk een nieuw spiraaltje geplaatst en gekeken of die goed zat. Er is me verzekerd dat de kans echt héél klein is dat die alsnog door mijn baarmoederwand heen gaat.

Deze column verscheen op 15 januari 2021 in de Volkskrant.

Mijn inzicht van 2020: je doet het altijd fout als wetenschapper in een talkshow

Presentator: ‘Vanavond een debat tussen hoogleraar wetenschapscommunicatie Smeets, die vindt dat wetenschappers niet zo vaak moeten aanschuiven in talkshows, en Volkskrant-columnist Ionica die juist denkt dat wetenschappers zich méér in het publiek debat moeten mengen. Goedenavond!’

Smeets: ‘Mag ik beginnen met zeggen dat ik het nogal ongemakkelijk vind om hier te zitten? Als wetenschapper heb ik het liever niet over mijn mening en ik denk dat collega’s daar ook voorzichtig mee moeten zijn. Je kunt je als expert veel beter houden bij het geven van zo goed mogelijke informatie en eerlijk aangeven welke dingen je níét weet.’

Ionica: ‘Ha, jij zou vanuit jouw vakgebied toch moeten weten dat feiten geven nou niet de meest effectieve communicatiestrategie is. Dat werd dit jaar duidelijker dan ooit met alle onzin die rondging over corona. Je komt in een talkshow niet ver met die eerlijkheid en nuances van jou. Zeker niet als je tegenover zelfverklaarde deskundigen zit die 100 procent zeker weten dat hun flauwekultheorie klopt. En daarvoor alle ruimte krijgen van de presentator.’

Presentator: ‘Ho ho, hou mij erbuiten graag. Ik stel alleen de vragen. Professor Smeets, het is dus uw schuld dat het zo misgaat?’

Smeets: ‘Wat? Kom nou, zeg. Wij wetenschappers moeten dingen onderzoeken en ons werk zo goed mogelijk uitleggen. Maar we weten ook heel veel niet. In talkshows als deze stelt de presentator soms de raarste vragen aan wetenschappers – alsof ze een soort orakels zijn. Het is gevaarlijk om dan maar een beetje mee te kletsen, dan kun je beter je mond houden.’

Ionica: ‘O, dus werkelijk iedereen mag zich in zo’n debat mengen, behalve wetenschappers? Dat zijn toch ook gewoon mensen met gevoelens en ideeën over hoe de samenleving zou moeten zijn?’

Smeets: ‘Natuurlijk, maar als ik als hoogleraar bij een talkshow zit, dan lijkt het alsof ik namens de wetenschap praat, ook als ik mijn mening geef over iets waarvan ik net zoveel weet als de gemiddelde kijker. Als ik dan spontaan iets zeg dat niet helemaal klopt, dan denken mensen daarna dat die wetenschappers niet te vertrouwen zijn. Bovendien hebben tv-programma’s het liefst twee gasten die het met elkaar oneens zijn, ook al is in werkelijkheid 95 procent van de mensen het met elkaar eens.’

Presentator: ‘Ja, nou wordt-ie helemaal mooi. Alsof het mijn schuld is! Het zou nogal een saai gesprek worden als er hier twee mensen zaten die het de hele tijd met elkaar eens waren. Dit is verdorie geen column.’

Ionica: ‘Maar professor Smeets heeft wel gelijk, ze kan het eigenlijk nooit goed doen.’

Smeets: ‘Dat was precies mijn inzicht van 2020: je doet het altijd fout als wetenschapper in een talkshow. Als je inzet op informeren, sta je machteloos. Maar ga je verder dan informeren en geef je daarbij een mening, dan doet dat afbreuk aan je geloofwaardigheid.’

Ionica: ‘Ha, dan zijn wij het dus tóch met elkaar eens. Al vind ik dat je desondanks als wetenschapper toch gewoon in talkshows moet aanschuiven. Want als je níét gaat, is het nog slechter voor het debat.’

Smeets: ‘Ja, dat ben ik denk ik wel met je eens.’

Presentator: ‘Mooi! We gaan zo door naar Peter R. de Vries. Maar nog even, professor Smeets, wat vindt u nu eigenlijk van de Deventer moordzaak?’

Deze column verscheen op 23 december 2020 in de Volkskrant.

Achter alle coronagrafieken zitten allerlei keuzen die veel uitmaken voor hoe mensen ze lezen

Hoe zet je al die duizelingwekkende coronacijfers in grafieken? Ik krijg geregeld mails van lezers die klagen over een grafiek die ze ergens hebben gezien. Er gaat inderdaad heel wat mis, bijvoorbeeld het in één grafiek direct vergelijken van totale aantallen besmettingen tussen landen, waarbij het ene land 17 miljoen inwoners heeft en het andere 1,4 miljard. Het is dan bijvoorbeeld veel eerlijker om de besmettingen per 100.000 inwoners te vergelijken.

Achter alle coronagrafieken die vrijwel elke dag in deze krant staan, zitten allerlei kleine keuzen die veel uitmaken voor hoe mensen de grafieken lezen. En vaak is helemaal niet zo duidelijk wat de beste keuzen zijn. Als je het verloop van de pandemie in verschillende landen laat zien, begin je dan overal op dezelfde datum, of start je per land op het moment dat de uitbraak daar begon? Ik zou zelf het tweede doen, maar voor het eerste is ook wel iets te zeggen.

Een veel fundamentelere keuze is de vraag welke soort schaal je gebruikt voor iets dat exponentieel groeit, zoals een corona-uitbraak. Veel data-experts en handboeken vinden dat je bij dit soort snel stijgende data een logaritmische schaal moet gebruiken waarbij intervallen op de y-as steeds groter worden. Hieronder staat bijvoorbeeld het totaal aantal coronabesmettingen per 100.000 inwoners in vier landen op zo’n logaritmische schaal.

Wat kun je op basis van deze grafiek zeggen over de ontwikkelingen in deze vier landen de laatste weken? Niet zo veel eigenlijk, het zit allemaal nogal op elkaar gepakt. Hieronder zie je ook dezelfde gegevens, maar nu op een ‘gewone’, lineaire schaal.

Persoonlijk vind ik deze grafiek een stuk makkelijker te interpreteren. En ik ben niet de enige. Een recente Amerikaanse studie liet zien dat mensen die coronagrafieken kregen op een logaritmische in plaats van een lineaire schaal, veel meer moeite hadden met het aflezen in welke week de grootste stijging was en het realistisch voorspellen van hoe de pandemie zich op korte termijn zou ontwikkelen.

Kortom: het is jammer voor de data-experts en handboeken, maar de lineaire schaal wint het dus in dit geval. Het gaat er bij dit soort keuzen namelijk niet om wat experts de beste manier vinden om de data te laten zien, het gaat er om hoe lezers het makkelijkst de informatie die ze nodig hebben uit een grafiek kunnen halen.

Deze column verscheen op 4 december 2020 in de Volkskrant.

Ouder 63, kind 36 jaar. Hoe groot is de kans op zo’n vrolijkmakende spiegelbeeldleeftijd?

Deze week hier wat luchtig rekenwerk tussen alle verdriet en moeilijke dingen door. Het is een lezersvraag die ik de afgelopen jaren tientallen keren kreeg in allerlei varianten, bijvoorbeeld deze: ‘Mijn zoon is 36 en ik ben 63. We vinden het heel grappig dat onze leeftijden het omgekeerde van elkaar zijn. En dat gebeurt vaker! Toen hij 25 was, was ik 52, jaren eerder hadden we ook al de combinatie 14 en 41. We hopen hierna 47 en 74 te halen, en 58 en 85 en heel misschien zelfs 69 en 96. Maar is het niet bijzonder dat we dit zo hebben? En zit hier één of ander wiskundig principe achter?’

Er zijn verschillende rijtjes leeftijden die dit grappige verschijnsel van terugkerende spiegelbeeldgetallen opleveren. Ook vanuit bijvoorbeeld 35 en 53 of 37 en 73 kun je hele rijtjes spiegelbeeldleeftijden maken door steeds elf jaar voor- of achteruit te schuiven.

Dat is element 1 van dit verschijnsel: als je eenmaal een spiegelleeftijd hebt met iemand, dan heb je dat elf jaar later weer (totdat een van jullie ouder dan 100 wordt). Dat is natuurlijk niet zo gek, want 11 optellen bij zulke leeftijden, maakt domweg elk van de twee cijfers ééntje groter. In de elf jaar dat de één bijvoorbeeld van 63 naar 74 gaat, gaat de ander met de spiegelbeeldleeftijd van 36 naar 47.

Het tweede wiskundige element van dit verschijnsel is dat de twee spiegelleeftijden altijd een negenvoud schelen. Iets wat veel lezers ook hadden opgemerkt. Ik weet niet hoe ik dat verschijnsel het beste in woorden kan beschrijven, maar in formules is het heel elegant. Wie daar geen zin in heeft, kan de volgende paragraaf overslaan en door naar de vraag hoe zeldzaam dit verschijnsel is.

Als je twee spiegelbeeldgetallen onder de honderd neemt, dan kun je die schrijven als ab en ba.

Dat staat dan voor

ab = 10 x a + b

ba = 10 x b + a

Het verschil tussen deze twee getallen is

ab-ba = 10 x a+ b – (10 x b+a) = 9 x a – 9 x b = 9 x (a-b)

En dat is dus altijd een veelvoud van 9, want a-b is een geheel getal.

Tot zover de wiskundige principes achter dit vrolijkmakende verschijnsel. Hoe bijzonder is het als je dit hebt in een gezin? Ik herinnerde me ineens dat onze koning Willem-Alexander 51 was toen zijn dochter Amalia 15 werd. Hij was 36 toen zij geboren werd en zij zitten dus ook in zo’n elfjaarlijks spiegelpatroon. Zelf was ik 35 toen mijn dochter Rifka geboren werd, maar wij zitten óók in zo’n patroon. Want als zij 15 is, dan word ik (hopelijk) 51. De truc werkt dus ook als je een negenvoud min één in leeftijd scheelt.

Daarmee is de kans voor twee mensen om in zo’n spiegelpatroon te komen twee op negen. Als je een gezin van vier personen hebt, dan is de kans dat daarbinnen minstens één duo in een spiegelpatroon zit 78 procent. Het verschijnsel is dus helemaal niet zo zeldzaam, maar dat maakt het niet minder bijzonder. Zoek vooral iemand die u graag mag en waarmee u elke elf jaar qua leeftijd in spiegelbeeld bent en geniet daar dan samen van.

Deze column verscheen op 2 oktober 2020 in de Volkskrant.

Op klompen in twee maten rennen om te zien welke maat de beste is: er is veel dat mij hieraan verbaast

Was me dat even een merkwaardige studie die klinisch fysicus Jeroen Verbunt me tipte. Voor een wetenschappelijk onderzoek renden Amsterdamse zorgmedewerkers op klompen door de gang van het ziekenhuis. De ene helft moest daarbij maat 38 dragen, de andere helft maat 47 en deze groepen waren willekeurig ingedeeld zodat de onderzoekers keurig konden bepalen welke schoenmaat de beste is.

Intensivecare-arts Paul Elbers beschrijft met zijn collega’s waarom dit onderzoek zo belangrijk is: goede klompen zijn cruciaal op de intensive care. Die moeten goed zitten, zeker als je naar een spoedgeval rent. Hun onderzoek laat overtuigend zien dat maat 38 beter werkt dan maat 47, want daarmee waren deelnemers gemiddeld sneller de gang door. Elbers en consorten schrijven dan ook dat ze verwachten dat maat 38 als gouden standaard in de gezondheidszorg wordt ingevoerd.

Net als de moed je in je schoenen begint te zinken over het niveau van de hedendaagse wetenschap, blijkt wat de echte bedoeling is van hun onderzoek. De onderzoekers geven schoorvoetend toe dat er een kleine kans is dat hun experiment misschien niet helemaal eerlijk was opgezet. Zowel hun interventie- als hun controlegroep zijn niet zo representatief voor hoe het echt gaat in de praktijk. Normaal dragen zorgmedewerkers namelijk gewoon klompen in hun eigen schoenmaat.

Het doel van dit artikel is om te waarschuwen voor dit soort methodologische fouten: zo’n knullige onderzoeksopzet geeft een resultaat waar je in de praktijk helemaal niets aan hebt. De auteurs noemen fijntjes een hele reeks serieuze medische studies die precies zo’n opzet hebben gevolgd met het vergelijken van een ‘lage’ en ‘hoge’ waarde. Bijvoorbeeld een behandeling voor een shocklong met als instelling 6ml/kg of 12 ml/kg. Ik weet ook niet wat dat betekent, maar blijkbaar is dat net zoiets als klompen in maat 38 of 47 met elkaar vergelijken.

Het klompenartikel is gepubliceerd onder het trefwoord ‘covid-19’ (oftewel coronavirus) – wat goed nieuws is voor u, want daardoor is het artikel voor iedereen gratis te lezen in het covid-19-archief van Elsevier. De laatste alinea van het artikel vermeldt echter dat het belangrijk is om op te merken dat deze studie he-le-maal niets te maken heeft met covid-19. De auteurs schrijven dat ze het trefwoord covid-19 alleen toevoegden om de kans op een snelle publicatie te vergroten (en vermoedelijk ook om aan te geven dat lang niet al het gepubliceerde corona-onderzoek even hoogstaand is). Nu breekt mijn klomp – zoals de auteurs zelf ook vrolijk als laatste zin opschrijven.

Er is veel dat mij hieraan verbaast. Dat dit artikel door het proces van peer-review kwam. Dat Elsevier het trefwoord ‘covid-19’ accepteerde. Dat het nodig was om uit te leggen dat zo’n onderzoeksopzet een dom idee is. Dat de onderzoekers daarvoor echt de moeite namen om mensen op twee maten klompen door de gang te laten rennen. Maar het meest van alles verbaast het me dat ik zelf nooit op het idee ben gekomen om dit soort kritiek in de vorm van een krankzinnig wetenschappelijk artikel te gieten.

Deze column verscheen op 11 september 2020 in de Volkskrant.