Medewerkers van de Radboud Universiteit in Nijmegen zijn boos over de strategie van hun universiteit. Het begon toen letterendecaan Paula Fikkert haar functie neerlegde, omdat het werk niet te combineren was met haar onderzoek én omdat ze het niet eens was met de koers van het universiteitsbestuur: ‘De richting waarin de universiteit zich beweegt wordt niet langer bepaald door onze eigen academici maar door consultants.’ Er volgde bijval, vanuit haar eigen faculteit en vanuit de rest van de universiteit.
Ik herkende de klachten over doorgeslagen efficiëntiedenken en financiële doelmatigheid, maar bleef hangen aan een zinnetje van een boze medewerker: ‘Niemand van de mensen die nu al die plannen maken is gepromoveerd.’ Op de universiteit heerst soms het waanidee dat je voor elke functie geschikt bent als je gepromoveerd bent (en andersom: dat je ongeschikt bent als je niet gepromoveerd bent).
Er staan doorgaans weinig wetenschappers in de rij voor bestuursfuncties. Ooit las ik een detective over de moord op een hoogleraar. Deze man was net benoemd tot instituutsdirecteur en was neergestoken door een jaloerse collega die deze functie voor zichzelf wilde. Toen ik dit vertelde tijdens een lunch op de universiteit, begon iedereen te grinniken. Totaal onrealistisch: mensen zullen eerder een moord plegen om géén instituutsdirecteur te hoeven worden. Hoe komt dat? De universiteit heeft als kerntaken ‘het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs, doen van wetenschappelijk onderzoek en (…) het overdragen van kennis ten behoeve van de maatschappij.’
Besturen komt daar nog bij als vierde taak. Alle taken zijn gelijk, maar sommige taken zijn meer gelijk dan andere. Als je een grote onderzoeksbeurs krijgt, kun je daarmee je onderwijstaak afkopen. Andersom mogen bij sommige studies uitstekende docenten zonder doctorstitel geen college meer geven. Nee, stel je voor dat er iemand voor de zaal komt die zich liever verdiepte in didactiek dan promotie-onderzoek te doen. Een vriend die decaan werd, kreeg een paar keer per week de vraag of hij zijn onderzoek niet miste, niemand vroeg naar zijn onderwijs of publiekswerk. Zelf maakte ik het afgelopen jaar een boek met cabaretier Jan Beuving. Meermaals zeiden collega’s: ‘Leuk, zolang het niet afleidt van je echte werk.’
Het echte werk betekent aan de universiteit doorgaans onderzoek. En dat is dus ook precies waar we mensen toe opleiden tijdens een promotietraject. Deze week presenteerden Promovendi Netwerk Nederland, de Jonge Akademie en het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap & Samenleving de inspiratiegids PhD van de toekomst. Daarin beschrijven ze hoe promotietrajecten nu vrijwel volledig draaien om het publiceren van peer-reviewed artikelen, terwijl promovendi in de praktijk bijdragen aan alle onderdelen van het wetenschappelijk takenpakket.
Er is een landelijk programma Erkennen & Waarderen dat zich richt op ruimte geven voor de volle breedte van die universitaire taken, maar promovendi krijgen te horen dat dit programma niet voor hen is bedoeld. De inspiratiegids geeft voorbeelden van promovendi die zich desondanks tijdens hun onderzoek inzetten voor samenwerkingen buiten de universiteit, bouwen aan open software, of een documentaire maken. Allemaal onderdelen van het echte werk – tijd dat dit erkend wordt.
Deze column verscheen op 18 juni 2026 in de Volkskrant.
