Ionica Smeets

Hoogleraar wetenschapscommunicatie – Universiteit Leiden

‘Doodstraf met vierde pijngraad’: Ik leerde op school niets over de genadeloze koloniale systemen van Nederland


Het blijft wonderlijk aan welke informatie je hoofd en je hart blijven hangen. Deze week las ik Nederlanders groeten niet – een boek over Curaçao van Anton Stolwijk en het stond vol met dingen die ik nog niet wist. Bijvoorbeeld dat Frankrijk al tijdens de Franse revolutie in 1794 de slavernij afschafte, maar dat Napoleon die een paar jaar later opnieuw invoerde.

Of dat Curaçao al sinds 1634 bij Nederland hoort. ‘Langer dan Limburg’, zoals iemand Stolwijk toebijt als hij zich hardop afvraagt of onafhankelijkheid niet het beste zou zijn voor Curaçao. En dat het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (waarin de relatie tussen de vier landen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten is vastgelegd) staatsrechtelijk boven de grondwet staat. Al wist ik voor het lezen van dit boek eigenlijk niet eens dat dit statuut bestond. Laat staan dat ik wist wat er precies afgesproken was en hoe nadelig de afspraken zijn voor het Caribische deel van ons koninkrijk (net als de regelingen voor de bijzondere Nederlandse gemeenten in het Caribisch gebied).

Anton Stolwijk laat in zijn boek steeds hetzelfde patroon zien. Of het nu gaat om slavernij, olieproductie of toerisme: steeds is er een kleine groep (voornamelijk witte) mensen op het eiland die er verschrikkelijk rijk van wordt, terwijl het grootste deel van de (voornamelijk zwarte) bevolking verschrikkelijk arm is.

Ik noteerde allerlei getallen uit zijn boek. In de 18de eeuw woonden er 20 duizend mensen op het eiland, waarvan 13 duizend in slavernij. Later kwam de olie: in 1929 waren olieproducten goed voor 98 procent van de Curaçaose export. Destijds werkten 10 duizend mensen op het eiland in de oliesector, op een bevolking van 50 duizend. Van al die werknemers waren er slechts zo’n 1.500 geboren op Curaçao. Ik leerde ook dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘de strijd in de Pacific voor 75 procent met Antilliaanse brandstof [werd] gevoerd’.

Maar dat was nog steeds niet waar mijn hoofd en mijn hart aan bleven hangen. Dat was de doodstraf voor Tula en Bastiaan Carpata, leiders van de mislukte opstand tegen slavernij in 1795. Zij worden veroordeeld tot ‘de dood ‘met vierde pijngraad’: eerst worden alle botten van hun onderlichaam gebroken, dan worden hun gezichten verbrand en ten slotte worden ze onthoofd, waarna hun lichamen in zee geworpen worden en hun hoofden op palen gespiest.’

De ongekende wreedheid van hun straf staat in schril contrast met de witte man die een zeeman doodsteekt en vervolgens door een rechter van het eiland wordt verbannen. Maar het meest huiveringwekkende is dat er een verdeling van doodstraffen in pijngraden bestaat. Wat zijn de eerste graden van pijn? Als dit de vierde pijngraad is, kan het dan nog erger met een vijfde? Waar houdt de schaal op? Er moeten vergaderingen geweest zijn over de juiste definities. Het is het kwaad in een keurig georganiseerd stappenplan.

Op school leerde ik vroeger uitgebreid over de meedogenloze systemen van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar niets over de genadeloze systemen waaraan Nederland de koloniën onderwierp. Hoogste tijd om dat in te halen.

Deze column verscheen op 1 mei 2026 in de Volkskrant.