Auteur: Ionica

Wil je koffie of thee?

Toen iemand de legendarische wiskundige Bertrand Russell vroeg of zijn pasgeboren kind een jongen of een meisje was, zou hij geantwoord hebben: “Ja, natuurlijk.” Ik weet niet of dit verhaal waar is, maar het klinkt vrij aannemelijk. Ik ken namelijk wiskundigen die de vraag “Wil je koffie of thee?” steevast met een triomfantelijk “Ja” beantwoorden. Mijn collega’s hebben een wat merkwaardig gevoel voor humor, en ze gebruiken taal anders dan de meeste mensen. Hun zinnen zijn logisch gezien volkomen correct, maar in de praktijk soms wat onhandig. Hoe kun je een gesprek met dit soort abstracte wezens voeren? En kun je ze toch nog te slim af zijn?

De taal van de wiskunde zit vol symbolen en formules en de dagelijkse taal van wiskundigen is al even ondoorgrondelijk. De kortste route naar hun werk beschrijven ze als “optimaal”. Hun huwelijk is met “aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” gelukkig. En de kans dat ze meegaan naar de verjaardag van hun schoonmoeder is “kleiner dan epsilon”. Andersom gebruiken ze woorden als graaf en model voor wiskundige begrippen die niets met edelmannen of Doutzen Kroes te maken hebben. Wiskundigen houden vaak wel van taalgrapjes. Ik ken een hoogleraar die woorden met twee x-en verzamelt (zoals examinatrix of xerox). Een ander had in zijn dictaat gezet “Wiskunde is leuker als je denkt” en lachte hartelijk als een student onterecht mopperde dat het “leuker dan” moest zijn. Maar vraag een wiskundige om een paar pinda’s en je krijgt er precies twee. Het is soms moeilijk om met dit soort mensen om te gaan.

egg-653303_1920

Een van mijn favoriete moppen gaat over een vrouw van een wiskundige die hem vraagt om wat boodschappen mee te nemen: “Lieverd, wil je een pak melk halen? En als ze eieren hebben, neem je er dan zes mee?” Even later komt haar man terug met zes pakken melk. Vrolijk meldt hij dat de winkel eieren had. Hij heeft haar verzoek als een logische opgave geïnterpreteerd: als er eieren waren, moest hij blijkbaar zes pakken melk halen. (Overigens weet iedereen die met een wiskundige samenwoont dat het levensgevaarlijk is om zo iemand zonder boodschappenlijstje op pad te sturen.)

Voor iedereen die dit soort rechtlijnige wetenschappers tegenkomt, heb ik gouden tip. Door de juiste vraag te stellen, zorg je dat ze precies doen wat je wilt. Als je bijvoorbeeld koffie wilt schenken, dan werkt deze vraag goed: “Als ik u vraag of u koffie wilt, geeft u daarop dan hetzelfde antwoord als op deze vraag?” Als het slachtoffer ja zegt, dan wil hij dus koffie. En als hij nee zegt, dan wil hij ook koffie. Een ander antwoord zal niet snel bij een wiskundige opkomen en je kunt dus sowieso koffie inschenken. En waarschijnlijk vindt je gast het nog prachtig ook. Rare jongens die wiskundigen.

***

Dit bericht verscheen in September 2012 in De Redactie. Taalkundige Marc Oostendorp reageerde met deze blogpost op Neder-L.

4 Dieren (deel 2)

Mijn puzzel van vorige week heeft heel wat losgemaakt. Op het schoolplein, in de supermarkt, op feestjes: overal werd ik aangesproken over giraffen en jakhalzen. Trotse ouders vertelden dat hun puberzoon de hele middag had zitten puzzelen, een ander echtpaar kreeg dan weer slaande ruzie omdat ze het niet eens waren over de oplossing. De hoogste tijd dus voor het goede antwoord.

Even ter herhaling: een slimme egel kwam in de mist vier dieren tegen. De jakhals die altijd liegt, de leeuw die de waarheid spreekt, de papegaai die het laatste antwoord herhaalt (als hij als allereerste is, zegt hij willekeurig “ja” of “nee”) en de giraffe die eerlijk antwoord geeft op de vorige vraag (en de eerste keer zegt hij willekeurig “ja” of “nee”).

De egel wil uitzoeken wie waar staat en vraagt hen eerst één voor één: “Ben jij de jakhals?”. Daarna weet ze alleen waar de giraffe staat. Dan vraagt ze de vier dieren in dezelfde volgorde “Ben jij de giraffe?” en ontdekt waar de jakhals staat. De egel weet nog niet de complete volgorde en vraagt aan het eerste dier: “Ben jij de papegaai?” Zodra dit dier “ja” zegt weet de egel precies wie waar staat. En hiermee kunnen wij blijkbaar ook uitzoeken hoe het dit, dus daar gaan we.

Op de vraag “Ben jij de jakhals?” zullen zowel de liegende jakhals als de eerlijke leeuw “nee” antwoorden. Wat de giraffe en de papegaai zeggen, kunnen we in principe niet weten. Maar omdat de egel na deze eerste vraag weet waar de giraffe staat, moet hij zich verraden door “ja” te zeggen nadat iemand anders “nee” heeft gezegd. We weten hierdoor dat de giraffe niet vooraan kan staan.

Op “Ben jij de giraffe?” zal de liegende jakhals “ja” antwoorden. De leeuw zegt “nee” en de giraffe ook, want die zit met zijn hoofd nog bij de vorige vraag. De papegaai herhaalt deze ronde het antwoord dat hij als laatste hoorde. Na alle vier de antwoorden weet de egel de plek van de jakhals, maar wij schieten hier weinig mee op en gaan snel door naar de volgende vraag.

Op “Ben jij een papegaai?” zal de leeuw ontkennend antwoorden, dus hij kan niet op de eerste plek staan. Zowel de giraffe als jakhals zullen “ja” zeggen. Maar de egel krijgt extra informatie van het antwoord van het eerste dier terwijl ze al weet waar de jakhals staat. Dus kan de jakhals óók niet vooraan staan. We wisten van de eerste vraag dat de giraffe niet vooraan staat, dus moet het enige overgebleven dier daar staan: de papegaai. Omdat die papegaai op de derde vraag “ja” zegt, moet er op de laatste plek een dier staan dat bij tweede vraag “ja” antwoordde. Dat kan alleen de jakhals zijn.

Er zijn nu nog twee mogelijke volgordes: papegaai – giraffe – leeuw- jakhals of papegaai – leeuw – giraffe – jakhals. Om te bedenken wat de juiste is, moeten we ons verplaatsen in het hoofd van de egel, dit is de lastigste stap. Stel eens dat de leeuw op de derde plek staat, dan moet de egel op de eerste vraag: nee-ja-nee-nee gehoord hebben. Zodra zij weet waar de giraffe en de jakhals staan, zou ze kunnen beredeneren dat de leeuw op de derde plek moet staan (want hij papegaaide het antwoord niet bij de eerste vraag). Dan zou ze dus helemaal geen derde vraag nodig hebben. Omdat ze die wel stelt, is de enige juiste volgorde papegaai – leeuw – giraffe – jakhals. Hulde voor wie dat de afgelopen week zelf ook had uitgepuzzeld.

Dit bericht verscheen op 20 juni 2015 in de Volkskrant

Lees hier deel 1 van dit bericht.

4 Dieren

Vorige week kreeg ik van verschillende kanten een raadsel opgestuurd over Hannah met een zak gele en oranje snoepjes. Het bleek een som uit een Brits examen die furore maakte op internet omdat hij zogenaamd absurd moeilijk was (ik vond hem eerder absurd dan moeilijk en ga hem daarom niet eens herhalen).

De afgelopen maanden doken er steeds dit soort sommen op: allemaal nogal lastig en stuk voor stuk bedoeld voor kinderen in één of ander buitenland. Terwijl wij al lang blij zijn als we zelf een beetje fatsoenlijk kunnen vermenigvuldigen, doen Vietnamese achtjarigen blijkbaar fluitend helse getallen-kruiswoord-raadsels en herleiden Singaporese pubers vrolijk wanneer Cheryl jarig is uit een reeks cryptische aanwijzingen. Dit laatste raadsel haalde in april zelfs De wereld draait door en Matthijs van Nieuwkerk keek licht wanhopig toen een scholier van het Team Nederlandse Wiskunde Olympiade de oplossing uitlegde. Voor wie het gemist heeft: Cheryl gaf twee vrienden een lijst met mogelijke data van haar verjaardag en vertelde de één de maand en de ander de dag. Vervolgens volgde er een gesprekje met uitspraken als “Ik weet niet wanneer Cheryl jarig is, maar ik weet dat de ander het ook niet weet”, waarna de heren én slimme puzzelaars konden uitvogelen wat Cheryls verjaardag was. Zelf dacht ik hierbij vooral dat Cheryl eens wat minder moeilijk zou moeten doen als ze cadeautjes voor haar verjaardag wilde.

Toch wil ik niet achterblijven bij deze kleine wiskundige hype en daarom presenteer ik deze week één van de aardigste raadsels die ik in tijden tegenkwam. De Amerikaanse wiskundige Tanya Khovanova vond deze opgave in het Russische jongerentijdschrift Kvantik en vertaalde hem op haar fijne weblog. Het is een variant op raadsels met mensen die alleen liegen of de waarheid spreken, maar dan met vier grappige dieren:

* De jakhals liegt altijd.
* De leeuw spreekt altijd de waarheid.
* De papegaai herhaalt het laatst gegeven antwoord. Als de papegaai als allereerste aan de beurt is, dan kiest hij willekeurig “ja” of “nee”.
* De giraffe is een beetje sloom en geeft eerlijk antwoord op de vórige vraag die je hem stelde. De eerste keer zegt hij willekeurig “ja” of “nee”.

Een slimme egel komt de vier dieren tegen in de mist en kan niet goed zien wie wie is. Ze besluit uit te zoeken in welke volgorde de dieren staan. Eerst vraagt ze hen één voor één: “Ben jij de jakhals?”. Na de antwoorden weet de egel alleen waar de giraffe staat. Daarna vraagt zij iedereen in dezelfde volgorde “Ben jij de giraffe?”. Nu ontdekt ze waar de jakhals staat. Maar ze heeft het plaatje nog steeds niet compleet en vraagt daarom aan het eerste dier: “Ben jij de papegaai?”. Zodra dit dier “ja” zegt, weet de egel precies wie waar staat. Kunt u dat nu ook uit puzzelen?

Volgende week geef ik hier het antwoord. U hoeft uw oplossing niet op te sturen, want er valt niets te winnen. Behalve dan een gevoel van diepe voldoening als u er zelf uitkomt en dus in elk geval niet stommer bent dan Russische scholieren.

Dit bericht verscheen op 13 juni 2015 in de Volkskrant

Lees hier deel 2 van dit bericht.

1729

Een paar weken terug liet ik hier terloops vallen dat mijn lievelingsgetal 1729 is en diverse lezers smeekten om meer uitleg. Hierbij dan. Ik houd van dit getal omdat er maar liefst twee fantastische anekdotes over zijn. De eerste gaat over de Britse wiskundige G.H. Hardy en het Indiase getallenwonder Srinivasa Ramanujan. Aan het begin van de twintigste eeuw haalde Hardy de jongere Ramanujan naar Cambridge. Daar werd Ramanujan ziek en Hardy nam een taxi naar het ziekenhuis om hem te bezoeken. Toen Hardy binnenkwam, grapte hij dat hij Ramanujan wilde opvrolijken met het nummer van zijn taxi, maar dat het helaas een nogal saai getal was: 1.729. Waarop de doodzieke Ramanujan zonder met zijn ogen te knipperen antwoordde dat 1.729 juist ge-we-ldig was: namelijk het kleinste getal dat je op twee manieren als de som van tweede derde machten kunt schrijven. (Voor de liefhebbers: je kunt het splitsen in 1.728 + 1 en in 1.000 + 729.)

Wat deze anekdote laat zien, is dat je overal schoonheid kunt vinden als je heel erg van iets houdt. De achterliggende emotie is vergelijkbaar met vogelaars die een quetzal spotten of een verzamelaar die een zeldzame single van The Beatles vindt. Dankzij Ramanujan is 1.729 een iconisch getal voor wiskundigen.

En er is dus nóg een anekdote over dit op het eerste gezicht wat saaie getal. De natuurkundige Richard Feynman ontmoette eens een man die telramen verkocht en beweerde dat hij met zijn abacus sneller kon optellen dan wie dan ook. Feynman nam de uitdaging aan en verloor flink. De verkoper riep trots dat hij ook héél snel kon vermenigvuldigen. Nu eindigde Feynman vlak achter hem, tot lichte verbazing van de verkoper. Normaal won hij namelijk ruim. Daarna deden ze een deling en eindigden ze gelijk. De verkoper was verbouwereerd, hoe kon iemand met pen en papier net zo snel zijn als hij met zijn wonderbaarlijke telraam? Wraakzuchtig riep hij: “Nu doen we derdemachtswortels!”, wetend dat dit enorm lastig is om met pen en papier te doen.

De verkoper schreef een willekeurig getal op: 1.729,03 en ging als een bezetene aan de slag met zijn abacus. Terwijl hij ploeterde, zat Feynman even rustig na te denken. De natuurkundige schreef vrij snel 12 op en even later maakte hij daar 12,002 van. De verkoper kwam moeizaam werkend kniet verder dan 12,01 en droop verslagen af.

Nu had Feynman heel veel geluk met het getal dat de verkoper koos. De natuurkundige wist uit zijn hoofd dat 12 de derdemachtswortel is van 1.728 en leerde daarnaast tijdens zijn studie een truc om handig om te gaan met de overgebleven rest van 1,03. Toen hij dit later nog eens probeerde uit te leggen aan de verkoper, ontdekte Feynman dat de man niet eens wist dat 3 de derdemachtswortel van 27 is. Sterker nog, de snelrekenaar snapte niets van getallen, hij kon alleen heel handig zijn telraam bedienen. Feynman concludeerde dat het beter is om iets langzamer te rekenen, maar wél precies te weten wat je doet. Ook daaraan denk ik vaak als ik mijn lievelingsgetal zie.

Het allerleukste aan “mijn” getal is echter is dat ik het er zo vaak over heb dat mijn vrienden inmiddels regelmatig om 17.29 uur even aan me denken en me een lief berichtje sturen.

Dit bericht verscheen op 20 december 2014 in de Volkskrant.

95% peuken

Met enige verbazing volg ik de discussie over het afschaffen van statiegeld. Terwijl de ellendige plastic soep in de oceanen gestaag groeit, komt Nederland op het idee om een goed werkend systeem voor recycling maar eens af te schaffen. De anti-statiegeld-lobby goochelt daarbij flink met cijfers.

Zo zegt de stichting Nederland Schoon dat drankverpakkingen hooguit 5% van het zwerfafval vormen. Uit hun onderzoek blijkt namelijk dat 95% van het zwerfvuil bestaat uit peuken. Overigens is Nederland Schoon absoluut geen lobbyclub, zoals ze op hun website zelf herhaaldelijk benadrukken. Het is een onafhankelijke stichting. Die zijn geld krijgt van bedrijven die verpakkingen produceren. Met in het bestuur mensen van Coca Cola en supermarkten die toevallig niet zo dol zijn op statiegeld. Maar verder is Nederland Schoon een reuze-objectieve club.

Nederland Schoon benadrukt dat peuken een groot probleem zijn voor het milieu. En ze vormen dus maar liefst 95% van het zwerfafval. Dat percentage kreeg de stichting door de rommel op straat stuk voor stuk te tellen. Dat is een nogal merkwaardige manier van meten: één drankflesje geeft fiks meer afval dan één peuk. Ik ga voortaan ook wat creatiever tellen. Zo kan ik trots melden dat slechts 2% van ons gezin gebruik maakt van wegwerpluiers, gemeten naar het gewicht van de personen. Verder bestond mijn lunch vandaag voor 90% uit fruit, want ik at één hamburger en negen druiven.

Bij afval is het natuurlijk eerlijker om naar volume dan naar losse aantallen te kijken. Op die manier gemeten vormen drankverpakkingen ongeveer de helft van het zwerfafval. Dat is dus heel wat meer dan hooguit 5%. En bovendien nog een stuk slechter voor het milieu dan die peuken.

Minstens zo misleidend was een ronkend persbericht van vorige week: “7 op 10 Nederlanders vinden einde statiegeld prima”, naar aanleiding van een enquête door onderzoeksbureau TNS NIPO. In 2010 bleek uit onderzoek van diezelfde organisatie dat minder dan 1 op 10 Nederlanders het een goed idee vonden om statiegeld af te schaffen. Zijn we in de tussentijd massaal van mening veranderd?

Het nieuwe onderzoek was in opdracht van het Afvalfonds Verpakkingen (dezelfde organisatie die Nederland Schoon financiert). En dit is de vraag waarnaar hun enthousiaste persbericht verwijst: “Maakt het voor u iets uit als de statiegeldflessen in de toekomst met de overige plastic verpakkingen kunnen worden ingeleverd in plaats van in de supermarkt?”

Als ik deze vraag kreeg op een enquête, zou ik niet vermoeden dat hier gevraagd wordt of statiegeld moet verdwijnen. Het klinkt alleen alsof het inleverpunt op een andere plek komt. Nou, prima hoor, volgende vraag. Een hint dat Nederland niet superenthousiast is over het verdwijnen van statiegeld blijkt nota bene uit een andere vraag uit hetzelfde onderzoek. Minder dan de helft van de geënquêteerden is positief over het idee om het statiegeldsysteem samen te voegen met het huidige inzamelingssysteem voor plastic. Eigenlijk lijkt het vooral het Afvalfonds verpakking zelf dat afschaffen van statiegeld een prima idee vindt.

Van plastic statiegeldflessen wordt nu bijna 95% hergebruikt. Ik wil er een middagje zwerfafval opruimen onder verwedden dat dit percentage zal dalen als statiegeld verdwijnt. Al zal de verpakkingsindustrie tegen die tijd vast een manier verzinnen om de cijfers toch heel rooskleurig te presenteren.

Dit bericht verscheen op 9 mei 2015 in de Volkskrant.

2 seconden

Toen Arjen Lubach het eerste seizoen van tv-quiz De Slimste Mens won, zat ik me steeds een tikje te verbijten als hij ergens werd aangekondigd als “slimste mens”. Zo’n quizje draaide om feitenkennis, dat heeft weinig met slimheid te maken. “Laat die Lubach eerst maar eens een proefschrift over getaltheorie schrijven”, mopperde ik bij mezelf.

Nadat ik zelf meedeed aan het vorige seizoen van De Slimste Mens dacht ik daar iets genuanceerder over. Toen ik me voorbereidde, ontdekte ik namelijk dat tactiek bij deze quiz minstens zo belangrijk is als het oplepelen van allerlei feitjes. Ten eerste moet je snel kunnen filteren welke informatie relevant is. Als je steekwoorden moet geven bij Plato, dan heeft het weinig zin om de titels van zijn werken op te sommen. In plaats daarvan roep je Griek, oudheid en filosoof.

clock-577753_1920

Ten tweede loont het om van tevoren uit te zoeken in welke ronden de meeste punten te halen zijn en vooral daar je best te doen. Veel kandidaten onderwaarderen bijvoorbeeld de puzzelronde. Dit soort analyses zijn overigens handig bij allerlei spelletjes. De meest winstgevende straat bij Monopoly is bijvoorbeeld Vreeburg, Utrecht. Bij galgje kun je naast de voor de hand liggende e het beste even proberen of er een r in het woord zit. En bij Mijnenveger heb je de meeste kans om te winnen als je bij je eerste zet in een hoekje klikt.

Bij De Slimste Mens draaien de meeste tactieken om de finale. Twee spelers nemen het tegen elkaar op met elk een aantal seconden op de klok. Degene die onderaan staat, mag beginnen en krijgt als vraag “Wat weet je van…?” en moet vijf steekwoorden noemen. Tijdens het nadenken tikken je eigen seconden af, maar voor elk goed antwoord speel je twintig seconden bij de ander weg. Zodra een speler de nul seconden bereikt, heeft hij verloren.

Het is eenvoudig te zien dat de finale gevaarlijk wordt zodra je minder dan honderd seconden hebt, dan kan de ander je in één vraag wegspelen. Als allebei de spelers in die gevarenzone zitten, dan laten ze vaak tactisch wat van hun tijd weglopen om bij de volgende beurt onderaan te staan en te mogen beginnen. Deze tactiek zie je ook dit seizoen van De Slimste Mens weer bijna dagelijks voorbij komen, maar er valt meer te beredeneren. Veel spelers passen te snel, omdat stiltes lang lijken en het eng is om de tijd te zien wegtikken. Maar één goed antwoord levert zoveel op, dat langer nadenken loont. Bovendien maakt het weinig uit of je past bij 36 of 21 seconden: in allebei de gevallen heeft je tegenstander aan twee goede antwoorden genoeg om je eruit te spelen.

De mooiste tip kreeg ik van Diederik Jekel: als alles in de finale hopeloos lijkt en je bijna geen tijd meer hebt, laat dan je klok teruglopen tot twee seconden. Geen enkele malloot zal daar onder kruipen. Ik belandde afgelopen zomer in die situatie en stopte strak op twee seconden. Mijn tegenstander liet haar tijd teruglopen tot 27 seconden en ik had dus twee goede antwoorden nodig om te winnen; in twee seconden. De vraag was “Wat weet je van Janet Jackson?” en daar riep ik als ware intellectueel: “zangeres, zus van Michael Jackson, …” en ik mocht door naar de volgende aflevering. Zo zie je maar dat stom geluk het uiteindelijk wint van feitenkennis en slimheid.

Dit bericht verscheen op 3 januari 2015 in de Volkskrant.

2.980 gram

De groeicurve is een probaat middel om jonge ouders de stuipen op het lijf te jagen

Onze dochter Rifka was nog maar net geboren of de getallen vlogen ons om de oren. We telden haar plasluiers en hoe vaak ze aan welke borst dronk. Om de haverklap namen we haar temperatuur op en de kraamverzorgende tekende overal keurige grafieken van. Het belangrijkste meetgegeven was echter het gewicht van de baby. Toen Rifka een paar dagen achter elkaar 2.980 gram woog, staarde de kraamhulp bezorgd naar haar tabellen en grafieken. Het was de bedoeling dat de baby elke dag een beetje aankwam. Was er misschien iets mis met de borstvoeding? Ze belde een lactatiekundige. De verloskundige en het consultatiebureau kwamen net die dag op huisbezoek en even later had ik drie tegenstrijdige adviezen die me allemaal even vreselijk leken. Overmand door hormonen en moeheid kroop ik huilend onder mijn dekbed en overwoog om over te stappen op flesvoeding.

Toevallig kwam mijn vriend in de supermarkt een bevriende huisarts tegen en zij spoedde zich naar mijn kraambed. Ze grinnikte dat ik normaal toch best goed was met meetonnauwkeurigheden. Ik besefte toch wel dat het eigenlijk niet zo slim was om een pasgeboren baby elke dag te wegen en vergaande conclusies aan die momentopnames te verbinden? Gewicht schommelt in de loop van de dag en het gaat om heel kleine verschillen. Eén plasluier voor het wegen en de baby lijkt tien gram afgevallen. Mijn vriendin stelde de vraag die meer waard is dan alle tabellen met getallen bij elkaar: Had ik het gevoel dat mijn baby tevreden was? Ja, dat dacht ik eigenlijk wel. Ze plaste en poepte goed, was helder als ze wakker was en lag verder gelukzalig te slapen. Ik besloot om rustig verder te gaan met de borstvoeding en even af te wachten.

Inmiddels is mijn dochter een halve kilo aangekomen, kan ik weer redelijk rationeel nadenken en moet ik voorzichtig lachen om mijn eigen hormonale paniek. Bij het consultatiebureau kregen we bij ons eerste bezoek zelfs complimenten dat de baby zo’n keurige groeicurve volgde. Die curve is ook een probaat middel om jonge ouders de stuipen op het lijf te jagen. Vijf grafieken beschrijven welk gewicht een kind “moet” hebben bij een bepaalde leeftijd. De middelste grafiek geeft het gemiddelde gewicht, maar omdat sommige baby’s minder gemiddeld zijn dan anderen, liggen daaronder en boven nog vier verschillende krommen. Een fraai staaltje beschrijvende statistiek, dat zo gemaakt is dat 99% van de baby’s qua gewicht tussen de twee buitenste grafieken valt.

Het is alleen wel belangrijk om dit soort plaatjes goed te interpreteren. Per definitie zal één op de honderd baby’s buiten de grafieken vallen, en hun ouders krijgen vaak te horen dat er iets mis is. Het kostte Aziatische vrienden veel moeite om het consultatiebureau duidelijk te maken dat het niet zo gek was dat hun baby ver onder het gemiddelde bleef, zelf waren ze immers ook een kop kleiner dan de gemiddelde Nederlander.

Een paar jaar terug ging het bij mijn zoon ook niet zo soepel. Hij zat steeds op de onderste curve voor zowel zijn lengte als gewicht, waardoor we elke keer de vraag kregen of we hem wel genoeg te eten gaven. Tot hij als éénjarige ineens gemiddeld was qua gewicht, terwijl zijn lengte onder het gemiddelde bleef. Een verpleegkundige zei verheugd dat het geweldig was dat zijn gewicht eindelijk “normaal” was. Terwijl ik uit de combinatie van grafieken concludeerde dat mijn zoon op dat moment iets te zwaar was. Maar dat ging vanzelf over toen hij even later leerde lopen. Zoals het gelukkig meestal wel goed komt met baby’s, zelfs als ze niet in de voorgeschreven tabellen en grafieken passen.

Dit bericht verscheen op 11 april 2015 in de Volkskrant

Meepraten

Op dit moment is Lowlands in volle gang. Ik ben er niet bij, maar ik vlooide het programma door om te kijken wat ik allemaal mis. Tevergeefs zocht ik naar het onderdeel Lowlands University dat ik in vorige jaren graag bezocht: colleges van vooraanstaande wetenschappers op allerlei gebieden.

De rolverdeling was daarbij helder: de expert stond op het podium en het publiek mocht zitten en luisteren. Op de details was van alles aan te merken, zo was het wat potsierlijk dat een pedel met toga en staf de sprekers aankondigde (“Net als in het echt”, zei de organisatie). Maar het was vooral bijzonder dat een tent volstroomde met jongeren bij lezingen over quantummechanica of het Europees parlement.

Dit jaar was het echter tijd voor vernieuwing en Lowlands’ universiteit is gesloten. In het nieuwe onderdeel Lowlands Science vertellen wetenschappers niet meer over hun vak, maar doen ze onderzoek mét het publiek. Pedagogen van de Universiteit van Amsterdam brengen in kaart hoeveel er gezoend, gesekst en geflirt wordt op het festival. Het Nederlands Forensisch Instituut onderzoekt hoe criminelen een lijk versjouwen (waarbij bezoekers kunnen kiezen of ze liever crimineel of lijk spelen). En zo zijn er een hele reeks onderzoeken waarbij het publiek zelf aan de slag moet om de wetenschap te helpen.

Het past in een trend om “de gewone Nederlander” actief te betrekken bij de wetenschap. Niet toevallig is het programma op Lowlands mede samengesteld door de Nationale Wetenschapsagenda. Bij deze agenda mocht iedereen vragen indienen om zo mee te bepalen waar de wetenschap zich de komende jaren op moet richten. Eindelijk kwamen de wetenschappers eens uit hun ivoren toren en luisterden ze naar het gewone volk.

Alleen bleek het vrij lastig om als buitenstaander een nieuwe vraag te stellen. Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas concludeerde na het lezen van een deel van de inzendingen: “Er zit niks bij wat wetenschappers ook maar een minuut aan het werk kan houden.” Wiskundige K.P. Hart maakte een sardonische blog met ingezonden vragen waarop het antwoord al lang bekend is: Is 0,9999… gelijk aan één? Bestaat het getal nul? Is het aantal mogelijke DNA-combinaties eindig? (Driemaal is het antwoord: ja.)

Zouden de samenstellers van de wetenschapsagenda iets anders verwacht hebben? Of wilden ze vooral mensen het gevoel geven dat hun stem gehoord is? Het idee dat iedereen mee moet kunnen praten over alles is naïef. Je kunt niets verstandigs zeggen over quantummechanica of het Europees parlement zonder dat je je eerst in het onderwerp hebt verdiept. Je kunt de gewone Nederlander wel écht betrekken bij wetenschap, maar dan is de onderwerpkeuze wat beperkt en kom je al snel uit op seks of misdaad zoals nu op Lowlands Science.

Terwijl het ook zo fijn kan zijn om niet zelf mee te doen en te luisteren naar iemand die op een bepaald gebied beter is dan jij. Op Lowlands verwacht ook niemand dat De Jeugd van Tegenwoordig aan de eerste rij vraagt of zij misschien nog wat pakkende refreinen of goede beats hebben. Dat kunnen de mannen op het podium namelijk het beste. Zo is het ook met een groot deel van de wetenschap. En je neemt het gewone publiek juist serieus door dat toe te geven.

Dit bericht verscheen op 22 augustus 2015 in de Volkskrant.

Leve de leesclub

Wetenschapsjournaliste Ionica Smeets wist zich in een boekenclub te wringen en verbaasde zich over hoeveel ze daar leerde. Wat ontdek je door met anderen over een roman te praten? En wat maakt een boek nu precies goed?

In 2007 hoorde ik een nieuwe collega zeggen dat ze die avond naar haar leesclub ging. Zoiets leek me al jaren ontzettend leuk, dus vroeg ik voorzichtig wat voor boeken haar club las en of er misschien nog een plekje vrij was. Een paar weken later zat ik in een vreemde huiskamer met zes onbekenden te praten over Tirza van Arnon Grunberg. Ik vond het onmiddellijk geweldig en inmiddels zijn die leden van de leesclub mijn vrienden. Na mijn komst is overigens besloten dat de leesclub “vol” was, dus ik ben zeer blij dat ik net op tijd ben binnengeglipt.

De opzet van deze leesclub is tamelijk geniaal. Om de beurt is één iemand de leesdictator en die bepaalt welk boek iedereen leest. Er is echter -ver voor mijn tijd- een soort schijndemocratie ingevoerd om te voorkomen dat de leesdictator een boek kiest dat iedereen haat. Nu geeft de dictator een lijstje van drie boeken en stemt de groep over wat ze wil lezen. Als er geen duidelijke winnaar is, dan beslist de dictator. Als tegenprestatie moet hij of zij voor de hele club koken en voorbereiden hoe we over het boek praten.

Iedere dictator pakt dit anders aan. Eén man is steeds zo druk bezig met enorm lekker koken, dat hij vergeet om nog wat vragen over het boek te verzinnen. Anderen laten ons complete rollenspellen doen waarbij we elk in de huid van een personage kruipen of geven ons kaartjes met vragen als Welk gedeelte van het boek zag je het meest voor je?. En bij De walgvogel van Jan Wolkers organiseerde de leesdictator een heuse wandeling langs plekken uit het verhaal.

Ook de keuze van de boeken gaat alle kanten op. We lezen klassiekers als Rabbit, Run van John Updike, maar ook bestsellers als Het diner van Herman Koch. Het aardige van een leesclub is dat je dingen leest die je anders nooit zou pakken. En dat je boeken uitleest die je normaal na tien pagina’s zou wegleggen. The sound and the fury van William Faulkner had ik bijvoorbeeld nooit uitgelezen zonder de groepsdruk van de leesclub. Het boek begint met tientallen pagina’s onsamenhangende flarden uit het brein van de verstandelijk gehandicapte Benjy en pas verderop in het boek vallen dingen langzaam op hun plaats.

Leermomenten

Het lezen van bijzondere boeken is nog maar één van de voordelen van een leesclub. In de loop van de jaren heb ik allerlei dingen geleerd doordat ik avonden lang met anderen over romans praatte. Het eerste, en de grootste winst, is dat ik meer dingen mooi vind dan vroeger, doordat ik begrijp hoe anderen ze zien. Eén van de eerste boeken die ik met de club las was The inheritance of loss van Kiran Desai. Ik vond de ellenlange natuurbeschrijvingen niet om door te komen, maar anderen bleken die juist prachtig te vinden. Zij werden door die beschrijvingen het verhaal ingezogen, omdat ze helemaal voor zich zagen hoe de hoofdpersonen leefden. Als ik nu in een ander boek zoiets lees, dan denk ik “Ida zou dit heel mooi vinden” en dan vind ik dat soort passages gek genoeg ook ineens mooi.

Het tweede dat ik leerde, is dat iedereen iets anders uit hetzelfde verhaal haalt. Natuurlijk wist ik dat op een abstract niveau al lang, maar je krijgt het zelden zo onder je neus gewreven als in een urenlange discussie over de kwaliteiten van een boek. Onze leesclub is vrij divers en iedereen let op andere details. Huisartsen diagnosticeren enthousiast stoornissen van personages, taalkundigen ontdekken subtiele metaforen en ik ben als enige enthousiast als er een leuk getal genoemd wordt. Ook opvallend is hoe belangrijk identificatie is. Zodra een personage of situatie in een boek herkenbaar is, scoort een boek gelijk een stuk hoger. Dat was heel duidelijk zo bij Sprakeloos van Tom Lanoye, over het sterven van zijn moeder. Eén iemand uit de leesclub herkende veel van het afscheid van zijn eigen moeder en vond het een fenomenale roman. Hij werd bijna boos toen ik, nog in het gelukkige bezit van mijn moeder, kritiek op het boek durfde te geven.

Een derde inzicht is hoe wankel je eigen mening blijkt. Aan het eind van de avond doen we altijd een rondje waarbij iedereen het boek een rapportcijfer geeft. Eén man begint daarbij steevast met een inleiding als: “Toen ik hier naartoe fietste dacht ik aan een 6, maar na de discussie neig ik naar een 8.” Het gebeurt mij ook regelmatig dat ik een boek maar zo-zo vind, tot anderen aanwijzen wat er allemaal goed aan is. Andersom kan ook: dat ik een boek geweldig vond tot de rest me attendeert op de gaten in het plot en de belabberde stijl. Over smaak valt dan niet te twisten, argumenten helpen blijkbaar wel.

Soms vraagt onze leesclub zich af of we wel serieus genoeg zijn. Onze bijeenkomsten, zo’n vijf keer per jaar, zijn in de eerste plaats erg gezellig. Zou het niet beter zijn om louter Nobelprijswinnaars te lezen? Moeten we niet langer praten over de thema’s in het werk, verborgen symboliek of het doel van de hoofdpersoon? Maar dan nemen we snel nog een glas wijn en gaan vrolijk verder over of wij het boek nu goed vonden of niet.

Wat is een goed boek?

Het blijkt lastig om grip te krijgen op wat een boek goed maakt. Sommige leden van de club letten erg op stijl (niet geheel toevallig zijn dat de taalkundigen), anderen zijn gevoeliger voor plot en personages. Is een boek waar je tegenop ziet om verder te lezen automatisch slecht? Soms leest iedereen een boek lekker snel uit, maar vinden we het desondanks geen van allen echt goed (sorry Herman Koch). Soms moeten we onszelf steeds dwingen om verder te lezen, maar zijn we uiteindelijk toch enthousiast (well done, Faulkner).

Ik heb ontdekt wat een boek voor mij goed maakt toen de bibliothecaresse uit onze club kaartjes maakte met vragen die ze op haar werk aan kinderen stelt. Eén van de vragen was: “Wat zou je veranderen aan het boek als jij de schrijver was?” Die avond antwoordde ik “Niets.” En op de terugweg op de fiets bedacht ik dat dit mijn definitie van een goed boek is. Als je er niets uit zou willen schrappen, niets aan zou willen toevoegen en geen letter zou willen veranderen. Als het onvermijdelijk is dat een boek precies zo is zoals het is. Dan is het goed. Dat denk ik nu tenminste, maar misschien verander ik na een avond discussiëren nog van mening.

***

Het favoriete boek van mijn leesclub

In de loop der jaren scoorde The road van Cormac McCarthy het hoogste bij onze boekenclub. Een vader trekt met zijn zoontje door een apocalyptisch landschap en het is (zeer kort samengevat) één grote bak ellende. Maar wat een prachtig boek. We lazen het in 2008 en het zegt iets over de kracht van het verhaal dat ik nog precies weet hoe naar ik me voelde tijdens het lezen. Eén iemand uit mijn leesclub stond destijds zelfs in de supermarkt flessen water te kopen voor als er een ramp zou gebeuren, zoveel invloed had het verhaal op haar. Het knappe van McCarthy is dat hij heel veel dreiging tussen de regels door laat voelen en allerlei dingen niet expliciet beschrijft. Daardoor kan elke lezer de details anders invullen. Zo bleken we heel verschillende ideeën te hebben over hoe de zoon in het verhaal eruit zag en hoe oud hij was. Maar boven alles heeft The road zowel een geweldige stijl, pakkende personages en genoeg materiaal om een lange avond over te praten.

Dit bericht verscheen op woensdag 8 juli 2015 in de Volkskrant.

Zwangerschap & gezwets

Ionica Smeets is zwanger, maar alle goedbedoelde bakerpraatjes zijn niet aan haar besteed. Ze is wetenschapsjournalist genoeg om uit te pluizen hoe het écht zit met die beweringen.

Nu ik zwanger ben, regent het goedbedoelde tips en adviezen. Wildvreemden proberen aan de vorm van mijn buik het geslacht van mijn baby te voorspellen en vage kennissen drukken me op het hart om toch wat meer klassieke muziek te luisteren zodat ik een slim kind krijg. Net als meeste aanstaande moeders knik ik vriendelijk en laat ik al het geklets langs me heen glijden. Maar anders dan de meeste moeders duik ik ’s avonds in de wetenschappelijke studies om te kijken wat er waar is van al die bakerpraatjes. En daarom nu: vijf adviezen rond de zwangerschap die wél ergens op gebaseerd zijn.

Niks elke dag seks
Bij ons begon de goede raad al ver voordat ik zwanger was, omdat we enthousiast aan onze vrienden hadden verteld dat we graag een tweede kind wilden. Toen ik een paar maanden later nog niet zwanger was, kregen we allerlei handige tips, zoals “Je moet hem wel in het goede gat stoppen.” Goede tip, bedankt. Anderen zeiden dat we tijdens de vruchtbare periode vooral elke dag seks moesten hebben en het allerbelangrijkste was natuurlijk om het te doen op de dag van eisprong.

Eerst even over die eisprong: twee weken voor de menstruatie komt er een eitje vrij dat maar één dag in de baarmoeder zit. Net op dat moment moeten er dus wat zaadcellen langskomen om het ei te bevruchten. Timing is dus tamelijk cruciaal. Het goede nieuws is dat sperma rustig een paar dagen kan overleven in het vrouwelijke lichaam. Deze feiten samen betekenen dan ook dat het vooral slim is om vóór de eisprong te vrijen. De dag ervoor geeft de beste resultaten, maar ook twee dagen van tevoren is beter dan de grote dag zelf. En de dag ná de ovulatie is volslagen zinloos, dan is het eitje alweer weg. Het meten van je lichaamstemperatuur om je eisprong te bepalen zoals sommige vrouwen doen, heeft weinig nut. Je bent eigenlijk net te laat als het eitje al is vrijgekomen. Het is slimmer om aan de hand van je vorige menstruaties uit te puzzelen op welke dag de eisprong zal vallen: twee weken voor de dag dat je je volgende menstruatie verwacht. De week daarvoor moet je dus losgaan.

Maar elke dag seks is daarbij helemaal niet nodig, artsen adviseren juist om het om de twee of drie dagen te doen. Dat sperma zit immers wel een tijdje goed en dagelijks op commando seks hebben kan zorgen voor veel stress en dat verlaagt juist weer de kans op een geslaagde bevruchting. Dus eerst plannen en dan een beetje ontspannen. Bij ons was het overigens grappig genoeg na acht maanden proberen raak. Net toen we besloten eens een maand af te zien van schema’s en per ongeluk een romantische avond hadden op het juiste moment.

zwangerschapsplaatje
Illustratie Charlotte Dumortier

Je kunt niet zien of het een meisje is (behalve bij de echo)
Soms lijkt het alsof het raden van het geslacht van de baby een nationale volkssport is. Zodra ik mijn skinny jeans inruilde voor een zwangerschapsbroek, regende het voorspellingen. Een visagiste zei dat het met zo’n stralende huid een jongen moest zijn. Een buurvrouw riep dat de baby hoog zat en dat het dus een meisje was. Anderen hadden theorieën op basis van eetbuien, de stand van de sterren en ochtendmisselijkheid.

Het vervelendste aan dit soort voorspellingen is dat altijd ongeveer de helft van de mensen gelijk krijgt en dat ze daarna tot vervelens toe blijven zeuren dat zij het al lang wisten. Maar zit er in één van de methodes ook maar enig bewezen resultaat?

Zwangerschapshormonen kunnen je huid veranderen, maar dat doen ze zowel bij jongens als meisjes. Je kunt niet aan puistjes zien wat voor baby je draagt. De vorm van je buik hangt vooral af van je eigen bouw en hoeveel zwangerschappen je al hebt gehad. Ook van eetbuien en sterren is er wetenschappelijk nooit een voorspellende waarde gevonden. Het enige dat een hint geeft, is extreme zwangerschapsmisselijkheid. Vrouwen die daarvoor naar het ziekenhuis moeten, blijken iets vaker een meisje te krijgen (vrouwelijke hormonen kunnen de misselijkheid erger maken). Het verschil is klein: deze vrouwen hebben 55% kans op een meisje in plaats van de gebruikelijke 49%. Er zijn dus genoeg vrouwen met flinke zwangerschapsmisselijkheid die een zoon krijgen. Denk maar aan de arme Britse prinses Kate Middleton die een paar jaar terug doodziek was tijdens haar zwangerschap van prins George (en nu weer trouwens, maar het geslacht van haar huidige baby is nog onbekend). Het is dus onverstandig om een roze kinderkamer te bestellen alleen omdat je vaak misselijk bent.

Gelukkig zijn al die kruidenvrouwtje-achtige voorspellingen niet meer nodig als je graag wilt weten of je een jongen of een meisje krijgt. Bij de 20 weken echo is meestal goed te zien wat het geslacht is, al wordt zelfs daarbij heel soms een piemeltje over het hoofd gezien. Wij wisten overigens al na 14 weken dat onze baby een meisje is, omdat we een genetische test lieten doen. Grappig genoeg zeiden vrienden “Dat kun je nu nog helemaal niet zien, hoor” toen we het nieuws vertelden. Alsof wij dat zomaar zouden verzinnen. Of naar de sterren hadden gekeken.

Fuck die verhoogde kansen
Je ziet als je zwanger bent ineens overal alarmerende berichten: “Koorts tijdens de zwangerschap verdubbelt kans op autistisch kind” of “Paracetamol slikken verhoogt de kans op een kind met ADHD.” Veel van die berichten blijken bij nadere bestudering gelukkig niet zo zorgwekkend. Ten eerste gaat het meestal om onderzoek dat een verband vond tussen twee dingen, maar dat hoeft niet te betekenen dat het één het ander veroorzaakt. Er kan best iets anders achterzitten.

Zo toonde een Noors onderzoek een paar jaar terug aan aan dat zwangere vrouwen die geen foliumzuur slikken, vaker kinderen krijgen die op de kleuterschool een taalachterstand hebben. De conclusie die veel kranten hieruit trokken, is dat foliumzuur blijkbaar zorgt dat het taalcentrum in de hersenen beter wordt aangelegd. Nu is foliumzuur reuzebelangrijk bij de zwangerschap, maar dit verband is wat vergezocht. Uit de studie bleek namelijk dat juist moeders die zelf een taalachterstand hebben minder vaak foliumzuur slikken. Misschien geven zij die handicap wel domweg door aan hun kinderen.

Zelfs als er een aangetoond verband is, dan blijft het begrip verhoogde kans nogal vaag. Als je bijvoorbeeld leest dat koffie drinken je kind twee keer zoveel kans geeft op een zeldzame ziekte, dan klinkt dat heel eng. Maar als zonder koffie de kans 1 op 100.000 is, dan is een dubbele kans 2 op 100.000. En dat is nu niet direct iets waarvan je wakker hoeft te liggen.

Veel pijnlijker zijn de kansen die je te horen krijgt als je een combinatietest laat doen omdat je wilt testen op Downsyndroom. De uitslag van die test is een kans en als die groter is dan één op tweehonderd is er sprake van een verhoogde kans en volgt verder onderzoek. Een vriendin kreeg van haar arts te horen dat zij een kans van 1 op 75 had op een Downie. Zij schrok enorm, dit klonk wel heel negatief. Ze moest twee weken wachten op de uitslag van het vervolgonderzoek en vertelde huilend dat ze zich niet meer durfde te verheugen op de baby. Maar een verhoogde kans is nog geen grote kans. Van de 75 vrouwen die eenzelfde uitslag krijgen als mijn vriendin, dragen er 74 een kind zonder Down. Daarmee is de kans 98,7% dat er niets aan de hand is. Toen ik dit mijn vriendin voorrekende, was ze een stuk minder ongerust. En gelukkig bleek uiteindelijk alles oké met haar kind. Ik zou willen dat artsen die verhoogde kans wat beter uitlegden, zeker aan vrouwen die toch al tot hun kruin vol zitten met hormonen en om alles moeten huilen. Dus echt, fuck al die verhoogde kansen.

zwangere ionica (1)

 

Wissel Mozart in voor Aqua
Natuurlijk doe ik alles dat ik kan doen om een gezond kind te krijgen: ik slik braaf mijn foliumzuur, drink geen alcohol en onderdruk mijn lust naar rood vlees. Zelfs de opvoeding begint nu al. De baby in mijn buik kan inmiddels aan het vruchtwater proeven wat ik heb gegeten en studies laten zien dat kinderen vast aan die smaken wennen. Wat ze al kennen uit de baarmoeder, eten ze later makkelijker. En omdat goed voorbeeld goed doet volgen, eet ik nu braaf allerlei dingen die ik zelf helemaal niet zo lekker vind zoals bloemkool en broccoli.

 

Illustratie Claudie de Cleen

Nu beweren kennissen dat ik ook eens wat vaker Mozart en andere klassieke muziek moet opzetten, want daar wordt mijn kind slim van. Alleen word ik altijd bloednerveus van klassieke muziek, ik luister liever iets met gitaren, pa-pa-pa-koortjes en een zanger die van enthousiasme een beetje vals zingt. Wat krijgt de baby daar überhaupt van mee in de baarmoeder? De oren ontwikkelen zich stap voor stap en zijn pas bij 36 weken helemaal klaar. Vanaf de zesde maand kan de baby wel al geluiden herkennen. Maar de baby hoort vooral het rammelen van je darmen en het pompen van je bloed. Zachte pianomuziek maakt waarschijnlijk weinig indruk.

Bovendien is het sowieso een mythe dat kinderen slimmer worden door naar Mozart te luisteren. In mijn favoriete wetenschappelijk onderzoek ooit besloten Nieuw-Zeelandse onderzoekers deze theorie te testen met de stompzinnigste muziek die ze konden bedenken: Aqua (van de mega-hit Barbie-girl). Ze lieten twee groepen kinderen IQ-tests maken, de ene helft kreeg tussendoor sonates van Mozart te horen, de andere de stuiterpop van Aqua. En het maakte niets uit. De muziek had in beide groepen geen enkele invloed op hun testscores. Dus draai gewoon lekker wat je zelf leuk vindt, want een blije moeder levert een blij kind. En dat is wel bewezen.

Een keizersnede is kut
Actrice Denise Richards regelde een keizersnede tegen het einde van haar zwangerschap, omdat het handig was om niet op een spontane bevalling te wachten: “We plannen dingen graag.” Zangeres Christina Aguilera had geen zin om uit te scheuren en hield niet zo van verrassingen, dus ook zij plande haar keizersnede. In Nederland is het officieel niet toegestaan om zonder medische reden vrijwillig voor een keizersnede te kiezen, maar ook hier heb ik wel eens BN-ers horen roepen dat zij geen zin hadden om te bevallen omdat het zo onhandig en vies is. Dat is heel dom, want een bevalling is in vrijwel elk opzicht beter dan een keizersnede voor moeder én kind.

Zelf kreeg ik aan het eind van mijn eerste zwangerschap een ernstige zwangerschapsvergitiging en mijn zoon moest met een spoedkeizersnede gehaald worden. De arts kwam dat heel voorzichtig meedelen, maar ik was op dat moment zo ziek en apathisch dat ik alles best vond. Ik besefte pas veel later hoe zwaar die keizersnede was geweest toen ik op bezoek ging bij een vriendin die drie weken daarvoor bevallen was. Zij kwam me vrolijk met de kinderwagen van het station halen, terwijl ik drie weken na mijn keizersnede al blij was als ik de trap af kon om de post te halen. Het duurde een paar maanden voordat ik weer een beetje normaal rondliep.

Natuurlijk is het geweldig dat de keizersnede bestaat, de operatie redt jaarlijks vele levens (zoals dat van mij en mijn zoon). Maar als je kunt kiezen, dan is een bevalling toch echt een beter idee, hoe pijnlijk en naar die ook kan zijn. De harde cijfers: bij een bevalling overlijden zes van de 100.000 baby’s, na een keizersnede achttien. Dat zijn er drie keer zoveel. Deze cijfers komen uit een internationale studie waarbij alleen vrijwillige, probleemloze keizersnedes en gezonde bevallingen zijn vergeleken. Ook de moeder heeft bij een keizersnede meer kans om te overlijden dan bij een bevalling.

En zelfs als alles relatief goed gaat, dan is het gemiddelde herstel na een keizersnede veel zwaarder, het is een zware buikoperatie. Van de vaginaal bevallen vrouwen voelt driekwart zich zes weken na hun bevalling weer fit, bij moeders met een keizersnede is dit slechts één op drie. Ook hebben vrouwen na een keizersnede vaker negatieve gedachten over zichzelf en hun kind, met alle gevolgen van dien. Kortom: een bevalling is niet per se leuk, maar een keizersnede is gewoon kut.

Ionica Smeets is freelance wetenschapsjournalist en schrijft voor Kek Mama maandelijks over allerlei bakerpraatjes.

Dit bericht verscheen op 15 november 2014 in Volkskrant Magazine